Inschrijven nieuwsbrief

Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!

Inschrijven nieuwsbrief

Lamote Stragier Advocaten

Lamote Stragier Advocaten is een nichekantoor gespecialiseerd in het fiscaal recht, het ondernemingsrecht en overnames.

Het team heeft uitgebreide ervaring in high-end dossiers binnen elk van deze domeinen, zowel in advies als in geschillen.

We werken flexibel samen met de ondernemer en met al wie de ondernemer omringt (kader, boekhouder, accountant, revisor, consultant, bankier en notaris).

De aanpak is dynamisch en steeds geënt op de concrete noden: creatief, hands on, juridisch stevig gedragen en met voeling voor de bedrijfsrealiteit.

Onze advocaten van de fiscaliteit en deze van het ondernemingsrecht vormen tegelijk een one-stop overnameteam dat elke bedrijfsovername van a tot z begeleidt, zowel voor verkopers als voor kopers.

Bekijk onze 3 specialisaties

Team

Stijn Lamote | Lamote Stragier Advocaten

Stijn Lamote

Consulter le profil

Contacter
Bram Stragier | Lamote Stragier Advocaten

Bram Stragier

Consulter le profil

Contacter
Steve Bonte | Lamote Stragier Advocaten

Steve Bonte

Consulter le profil

Contacter
Anne-Sophie Anseeuw | Lamote Stragier Advocaten

Anne-Sophie Anseeuw

Consulter le profil

Contacter
Eva Deflo | Lamote Stragier Advocaten

Eva Deflo

Consulter le profil

Contacter
Maxim Savaete | Lamote Stragier Advocaten

Maxim Savaete

Consulter le profil

Contacter
Dieter Beausaert | Lamote Stragier Advocaten

Dieter Beausaert

Consulter le profil

Contacter
Gilles Merchiers | Lamote Stragier Advocaten

Gilles Merchiers

Consulter le profil

Contacter
Arne Hanssens | Lamote Stragier Advocaten

Arne Hanssens

Consulter le profil

Contacter
Valerie Vandemaele | Lamote Stragier Advocaten

Valerie Vandemaele

Consulter le profil

Contacter
Anne Planckaert | Lamote Stragier Advocaten

Anne Planckaert

Consulter le profil

Contacter

Newsletters

Nous envoyons tous les mois une newsletter électronique dans laquelle nous partageons notre expérience pratique ou commentons certaines réformes législatives pertinentes.

Mokerslag voor de retroactieve toepassing van de antimisbruikbepaling

13/02/2020 - Anne-Sophie Anseeuw, Stijn Lamote

De Programmawet van 29 maart 2012 heeft in ons wetboek van inkomstenbelastingen onder artikel 344 §1 WIB’92 een nieuwe verruimde antimisbruikbepaling ingeschreven. Zo kan er sindsdien sprake zijn van fiscaal misbruik wanneer (1) de fiscus in staat is te bewijzen dat het doel en de strekking van een bepaalde fiscale bepaling gefrustreerd zijn wanneer een bepaalde handeling niet zou belast worden én (2) de belastingplichtige daarbij niet is staat is te bewijzen dat de door hem gekozen rechtshandelingen door andere motieven worden verantwoord dan door fiscale motieven. Bij effectieve toepassing van de antimisbruikbepaling kan de fiscus de minder of niet belaste handeling negeren en de meer belaste handeling in de plaats stellen. Inwerkingtreding antimisbruikbepaling volgens de letterlijke lezing wet De inwerkingtreding van deze nieuwe antimisbruikbepaling wordt in artikel 169 van voormelde Programmawet uitdrukkelijk geregeld als volgt: “Artikel 167 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld tijdens een belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar 2012. (…)” (eigen klemtoon) Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de nieuwe antimisbruikbepaling slechts van toepassing is op (het geheel van) rechtshandelingen gesteld vanaf aanslagjaar 2013 (met een uitzondering voor vennootschappen die anders dan per kalenderjaar boekhouden). Alle betrokken rechtshandelingen moeten daarbij dateren vanaf dit aanslagjaar 2013 en er kan geen retroactieve werking worden verleend aan de antimisbruikbepaling. Inwerkingtreding antimisbruikbepaling volgens de administratie De administratie interpreteert deze nochtans duidelijke wetsbepaling evenwel anders. In haar Circulaire Ci. RH. 81/616.207 d.d. 4 mei 2012 stelt de administratie dat het inzake de inkomstenbelastingen voor de toepassing van de antimisbruikbepaling volstaat dat de laatste rechtshandeling, die deel uitmaakt van een “geheel van rechtshandelingen die een zelfde verrichting tot stand brengt”, in de loop van het aanslagjaar 2013 en volgende gesteld is, opdat artikel 344, §1, (nieuw) WIB’92 toepassing zou kunnen vinden op het geheel van de rechtshandelingen (m.i.v. de rechtshandelingen die vóórdien werden gesteld). Typecasus: de step-up (inbreng aandelen in holding gevolgd door kapitaalvermindering) Dit standpunt van de administratie impliceert bijvoorbeeld dat zij op een rechtshandeling uit de jaren ‘90 in combinatie met rechtshandelingen vanaf aanslagjaar 2013 - te denken valt aan de kapitaalinbrengen in het kader van een step-up die dateert van voor de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling en de daaraan gekoppelde kapitaalvermindering vanaf aanslagjaar 2013 - de nieuwe antimisbruikbepaling zou kunnen loslaten, om de loutere reden dat de laatste rechtshandeling (in de betrokken casus de kapitaalvermindering vanaf aanslagjaar 2013) heeft plaatsgevonden vanaf aanslagjaar 2013. Van in het begin werd dit standpunt van de fiscus sterk bekritiseerd omdat dit vooreerst niet voortvloeit uit de tekst van de wet en bovendien in strijd is met het beginsel van de voorzienbaarheid van de wet. Men kan immers van de burger niet verwachten dat hij bij het stellen van rechtshandelingen in de jaren die aanslagjaar 2013 voorafgaan (bijvoorbeeld de jaren ’90) weet heeft van de latere inwerkingtreding van een nieuwe anti-rechtsmisbruikbepaling, die pas later de door hem in tempore non suspecto gestelde handeling fiscaal kan gaan beïnvloeden. Dit zou neerkomen op een ontoelaatbare retroactieve toepassing van fiscale wetgeving, waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt. Ondanks deze stevige kritiek vanuit de rechtsleer bevestigden reeds enkele rechtbanken van eerste aanleg (Antwerpen, Brugge,..) het standpunt van de fiscus dat het voor de toepassing van de nieuwe antimisbruikbepaling volstaat dat de laatste handeling van het geheel van rechtshandeling plaatsvindt vanaf aanslagjaar 2013 (met een uitzondering voor vennootschappen die anders dan per kalenderjaar boekhouden). Gent, 3 december 2019: geen retroactieve toepassing antimisbruikbepaling Het Hof van Beroep te Gent oordeelt daar nu uitdrukkelijk anders over. In een recent arrest van 3 december 2019 roept het Hof de fiscus halt toe en oordeelt het letterlijk dat de lezing van de administratie dat, indien een geheel van rechtshandelingen wordt geviseerd, enkel de laatste van de rechtshandelingen moet zijn gesteld binnen het temporeel toepassingsgebied van artikel 344 §1 WIB’92, geen steun vindt in de wet. Dit arrest is voor de hangende geschillen met betrekking tot de nieuwe antimisbruikbepaling, dan ook bijzonder relevant, inzonderheid voor de vaak geviseerde step-up constructies, zijnde structuren waarbij er boven de werkvennootschap een holding wordt opgericht door middel van een inbreng in natura van de aandelen van de werkvennootschap(pen) waarbij er vervolgens - gefinancierd met dividenden van de werkvennootschap(pen) - een belastingvrije kapitaalvermindering plaatsvindt in de holdingvennootschap. Indien de kapitaalinbreng zich situeert vóór de temporele inwerkingtreding van de nieuwe antimisbruikbepaling kan de fiscus op basis van deze rechtspraak hier niet langer de antimisbruikbepaling op los laten. Mogelijk wordt dit arrest voorgelegd aan Cassatie,, doch het is alvast zeer positief dat het Hof van Beroep te Gent de visie van de administratie aan diggelen slaat. Belastingplichtigen die worden geconfronteerd met een retroactieve toepassing van de nieuwe antimisbruikbepaling hebben met dit arrest dan ook krachtige munitie om de strijd met de fiscus aan te gaan.

Voir plus!

Wanneer rinkelt de alarmbel onder het nieuwe WVV?

16/01/2020 - Bram Stragier, Steve Bonte

Gezien de afschaffing van het kapitaal, wordt logischerwijs ook de alarmbelprocedure voor de BV anders ingevuld onder het nieuwe WVV. Net zoals bij rechtstreekse en onrechtstreekse vermogensuitkeringen aan de aandeelhouders, hanteert het WVV ook hier de balans- en liquiditeitstest. Het bestuursorgaan is verplicht de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen (i) wanneer het netto-actief negatief dreigt te worden of is geworden (balanstest), of (ii) wanneer het vaststelt dat het niet langer vaststaat dat de vennootschap volgens de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen in staat zal zijn nog minstens twaalf maanden haar schulden te voldoen naarmate ze opeisbaar worden (liquiditeitstest). De nieuwe regels inzake de alarmbelprocedure zijn nog steeds dwingend van aard, en gelden bijgevolg automatisch sinds 1 januari 2020. Dit betekent dat in de vennootschappen waar de balans- of liquiditeitstest op datum van de inwerkingtreding faalt, vóór 1 maart 2020 toepassing moet gemaakt worden van de alarmbelprocedure. De verplichting van het bestuursorgaan blijft grotendeels hetzelfde als onder het (vroegere) Wetboek van Vennootschappen. Het bestuursorgaan moet in een bijzonder verslag uiteenzetten welke maatregelen het voorstelt om de continuïteit van de vennootschap te vrijwaren. Daarnaast moet het bestuursorgaan de algemene vergadering tijdig bijeenroepen om te besluiten over de ontbinding van de vennootschap of over de in de agenda aangekondigde maatregelen om de continuïteit van de vennootschap te vrijwaren. Tijdig betekent dat de algemene vergadering moet bijeenkomen binnen de twee maanden nadat voormelde toestand volgens de balans- of liquiditeitstest werd of had moeten vastgesteld worden. De maatregelen moeten in de agenda worden vermeld en wanneer het verslag ontbreekt, is het besluit van de algemene vergadering nietig. In zijn arrest van 24 mei 2018 bevestigde het Hof van Cassatie dat het startpunt van de termijn van twee maanden vroeger valt dan de dag waarop de jaarrekening aan de algemene vergadering wordt voorgesteld. Het bestuursorgaan moet de jaarrekening immers opmaken en ter zetel van de vennootschap neerleggen uiterlijk vijftien dagen voor de jaarvergadering. Wanneer de vennootschap onder de commissarisplicht valt, moet het bestuursorgaan de jaarrekening aan de commissaris meedelen uiterlijk een maand voor de jaarvergadering, en in geval van genoteerde vennootschappen zelfs vijfenveertig dagen. Dit is dus telkens de uiterste startdatum van de tweemaandentermijn (in de hypothese dat het bestuursorgaan de jaarrekening niet eerder effectief opgemaakt heeft). De verplichting geldt niet alleen n.a.v. de opmaak van de jaarrekening, maar ook wanneer het falen van de balans- of liquiditeitstest redelijkerwijze anders dan uit de jaarrekening blijkt. Dit kan het geval zijn bij een commerciële tegenslag of andere calamiteit die de liquiditeitspositie doet wankelen. Met andere woorden, wanneer de alarmbel rinkelt, al dan niet in de jaarrekening, reageert het bestuursorgaan maar beter direct. Wat wel wijzigt onder het WVV is dat het bestuursorgaan van de BV, nadat het de alarmbelprocedure een eerste maal heeft toegepast, gedurende de twaalf maanden na de bijeenroeping niet meer verplicht is de algemene vergadering om dezelfde reden opnieuw bijeen te roepen. Er is derhalve een periodieke jaarlijkse verplichting ingevoerd, die komaf maakt met de zienswijze dat de alarmbelprocedure slechts opnieuw moet worden toegepast wanneer men onder een andere drempel zakt of wanneer het vennootschapsvermogen zich tijdelijk herstelt, om vervolgens opnieuw onder dezelfde drempel te zakken. Tenslotte geldt in de BV evident niet langer dat derden de ontbinding van de vennootschap kunnen vorderen, indien het eigen vermogen zou dalen tot beneden het bedrag van het wettelijke minimumkapitaal. De alarmbelprocedure vraagt onder het nieuwe WVV een verhoogde waakzaamheid. De gekende netto-actieftest wordt aangevuld met een permanente liquiditeitstoets en het bestuursorgaan moet ageren van zodra één van beide testen faalt, of zij dit falen redelijkerwijs had moeten vaststellen. Eens te meer blijkt dat het WVV de verantwoordelijkheden aanscherpt. De regeling is van dwingend recht en is automatisch in werking getreden op 1 januari 2020. Voor vennootschappen met een wankele liquiditeitspositie, is het aangewezen om voor 1 maart 2020 toepassing te maken van de nieuwe alarmbelprocedure.

Voir plus!

Privaat vastgoed in vennootschap dan toch aftrekbaar: de herboren meerwaardetheorie

19/12/2019 - Stijn Lamote

Ons kantoor becommentarieerde het belangrijke arrest van 3 december 2019 van het Hof te Gent omtrent de aftrekbaarheid van kosten op privaat vastgoed. Deze bijdrage verscheen in het vaktijdschrift Fiscale Actualiteit met als titel “Privaat vastgoed in vennootschap dan toch aftrekbaar: de herboren meerwaarde theorie.” In essentie komt deze rechtspraak erop neer dat kosten van een privaat vastgoed in een vennootschap aftrekbaar zijn indien er kan worden aangetoond dat de vennootschap op dat vastgoed vroeg of laat een (belastbare) meerwaarde zou kunnen realiseren. Download hier het artikel.

Voir plus!

Is uw vennootschap klaar voor het nieuwe jaar?

13/12/2019 - Bram Stragier, Stijn Lamote

Het nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) is sinds 1 mei 2019 in werking voor nieuwe vennootschappen. Bestaande vennootschappen kunnen zich sinds diezelfde datum vrijwillig aan het nieuwe WVV onderwerpen. Vanaf 1 januari 2020 zijn evenwel de dwingende bepalingen van de nieuwe wet automatisch van toepassing op de bestaande vennootschappen, ook voor deze die van deze ‘opt-in mogelijkheid’ nog geen gebruik gemaakt hebben. Tijd voor een overzicht en een to do – lijstje. Afschaffing kapitaalbegrip bij de BV en CV Bij BVBA’s en ‘onechte’ CVBA’s worden het kapitaal en de wettelijke reserve van rechtswege en zonder vervulling van enige formaliteit per 1/1/2020 omgevormd in een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening. De uitkering van (een deel van) deze statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening of de omzetting ervan naar een beschikbare eigen vermogensrekening vereist steeds een statutenwijziging. ‘Beschikbaar’ eigen vermogen kan daarentegen zonder statutenwijziging uitgekeerd worden. Dit kan met een beslissing van de algemene vergadering en er is geen publiciteit of wachttermijn. Wel is vereist dat men bij die uitkering slaagt voor de netto-actieftest en de liquiditeitstest. De toets en het slagen van deze dubbele uitkeringstest wordt verplicht voor iedere uitkering van vermogen na 1 januari 2020 in een BV (terugbetalingen van inbreng, dividenden, tantièmes, verkrijgen van eigen aandelen, uitkeren scheidingsaandeel). Een en ander is zelfs strafrechtelijk beteugeld. Tot 1 januari 2020 geldt enkel de netto-actieftest … Via opt-in kan men voor 31 december 2019 kapitaal omzetten in ‘beschikbaar eigen vermogen’, zodat dit nadien zonder statutenwijziging uitkeerbaar wordt (mits dubbele test). Indien er (belangrijke) bancaire kredieten zijn, wordt dit best eerst even met de bankier afgetoetst. Automatische overgang naar BV Met de jaarovergang zullen ook de nieuwe benamingen en afkortingen van de nieuwe vennootschapsvormen van toepassing zijn. De bestaande BVBA’s moeten vanaf 1 januari 2020 op hun facturen, website en alle andere stukken opnemen dat ze BV zijn. Elke CVBA zal zelf moeten bepalen of ze aan de nieuwe definitie van een coöperatieve vennootschap voldoet. Voldoet ze aan de definitie, dan gaat ze vanaf 1 januari 2020 door het leven als een CV en moet ze deze vermelding ook opnemen. Voldoet ze niet aan de definitie, dan blijft de vennootschap een CVBA tot ze wordt omgevormd in een BV (uiterlijk tegen 1 januari 2024). Een CVBA die niet aan de definitie voldoet, doet er goed aan om via een statutenwijziging om te schakelen naar een BV, om te vermijden dat de vennootschap geregeerd wordt door zowel de oude CVBA-regels, als door de nieuwe, dwingende BV-regels, als door (onaangepaste) statutaire regels. Bestuur De belangenconflictregeling wordt verstrengd. Bij een belangenconflict moet de betrokken bestuurder zich voortaan onthouden van deelname aan de beraadslaging en de stemming. De mogelijks soepelere belangenconflictregels uit de statuten moeten wijken voor de dwingende, nieuwe regels. De alarmbelprocedure voor de BV / CV wordt eveneens verstrengd; er wordt een parallel getrokken met de hoger omschreven netto-actief en liquiditeitstest. De procedure moet toegepast worden telkens wanneer het bestuursorgaan vaststelt dat het (i) het netto-actief van de vennootschap negatief is of dreigt te worden, en/of (ii) niet langer vaststaat dat de vennootschap, volgens redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen, in staat zal zijn om gedurende minstens de twaalf volgende maanden haar schulden te voldoen naarmate deze opeisbaar worden. Dit tijdstip zal in de regel eerder vallen dan bij de loutere netto-actiefbenadering onder het oude recht. Vennootschappen die zich per 1 januari reeds in deze situatie bevinden, zullen voor 1 maart 2020 de alarmbelprocedure moeten toepassen. De vaste vertegenwoordiger van een bestuurder-rechtspersoon kan niet eveneens in eigen hoedanigheid of als vaste vertegenwoordiger van een andere bestuurder-rechtspersoon in het bestuursorgaan zetelen. Dit is de afschaffing van de zogenaamde dubbele bestuursmandaten. Het aanduiden van een nieuwe vaste vertegenwoordiger dringt zich in voorkomend geval op tegen uiterlijk 1 januari 2020. De vaste vertegenwoordiger van een rechtspersoon moet tegen dezelfde datum ook altijd een natuurlijke persoon zijn (geen cascade meer van rechtspersonen-bestuurders). De definitie van dagelijks bestuur wordt uitgebreid. Vanaf 1 januari 2020 zal de dagelijks bestuurder van de vennootschap daarbij in principe automatisch ruimere bevoegdheden krijgen. BV’s (en dus ook oude BVBA’s) krijgen ook de mogelijkheid om een dagelijks bestuurder te benoemen. Het maximale bedrag inzake bestuurdersaansprakelijkheid wordt voortaan geplafonneerd in functie van het balanstotaal en de omzet van de vennootschap over de voorbije drie jaren. Dit laat toe om uw bestuurdersaansprakelijkheid beter te verzekeren, en moet dus leiden tot lagere premies. Roep uw makelaar erbij om dit te bespreken. Algemene vergadering Behoudens afwijkingen in de statuten, in een testament of in een overeenkomst zal voortaan de vruchtgebruiker van gesplitst aangehouden effecten de rechten uitoefenen. Ter stemming van een statutenwijziging worden de onthoudingen niet langer meegerekend als een tegenstem, maar blijven ze volledig buiten de berekening. Dit is dezelfde regel als bij de gewone algemene vergadering. De afrondingsregel met betrekking tot aandelen met een ongelijke kapitaal vertegenwoordigende waarde voor NV’s vindt niet langer plaats per aandeel, maar per aandeelhouder. De toepassing van bovenstaande regels kan ertoe leiden dat er machtsverschuivingen ontstaan in de algemene vergadering. Het is raadzaam om deze op voorhand in kaart te brengen en hierop tijdig te anticiperen. Check de statuten De dwingende regels van het WVV worden op 1 januari 2020 automatisch van toepassing. Statutaire bepalingen die in strijd zijn met deze nieuwe dwingende bepalingen, worden voor niet-geschreven gehouden. Omgekeerd voorziet het WVV in heel wat versoepelingen. Deze flexibele regels zijn niet van dwingend recht. De statutaire bepalingen die afwijken van deze flexibele regels krijgen voorrang. De oude statuten van de vennootschap kunnen met andere woorden de toepassing van de flexibele regels in de weg staan. Het is zaak van de statuten zo spoedig mogelijk op de nieuwe regels af te stemmen. Aandelen Het effectenregister moet voortaan enkele bijkomende verplichte vermeldingen bevatten. Onder meer de statutaire – en in bepaalde gevallen de conventionele – overdrachtsbeperkingen moeten terug te vinden zijn in het effectenregister. Een aanvulling van de aandelenregisters dringt zich op. Vereffening De vereffeningsprocedure wordt met ingang van 1 januari 2020 versoepeld voor batige vereffeningen. Zo moet de rechtbank niet langer tussenkomen voor de bevestiging van de benoeming van de vereffenaar en de goedkeuring van het verdeelplan. Voor deficitaire vereffeningen blijft dit wel gelden. Ook de mogelijkheden om over te gaan tot een ontbinding-vereffening in één akte worden verruimd, zodat méér vereffeningen aldus zullen kunnen gebeuren. Overheidsbestuurders mogen niet langer een beroep doen op managementvennootschappen In de schaduw van het nieuwe WVV werd de wet van 7 mei 2019 tot het verbieden van managementvennootschappen voor overheidsbestuurders gestemd. Het is vennootschappen vanaf 1 januari 2020 verboden om een mandaat met een publiek karakter op te nemen. Dit kan o.m. van belang zijn voor artsen die met een vennootschap werken en aldus deelnemen aan het bestuur van een ziekenhuis. Er moet een analyse gebeuren van de vennootschappen waar de managementvennootschap een bestuurdersfunctie in uitoefent. Desgevallend moet er gezocht worden naar alternatieven of moet het mandaat privé opgenomen worden. Bestaande vennootschappen krijgen vanaf 2020 automatisch – en dus ongewild – te maken met de nieuwe dwingende bepalingen van het WVV. Bestaande statuten zullen niet langer aangepast zijn aan de nieuwe wetgeving. Er dreigt een amalgaam van oude en nieuwe rechtsregels naast de (gedateerde) statutaire regels, en dit volgens een wisselende hiërarchie. Het is kwestie van de bestaande statuten tegen het licht te houden, keuzes te maken en de statuten in lijn te brengen met het nieuwe WVV. Zo niet dreigen er zaken fout te lopen en/of gaan er opportuniteiten verloren.

Voir plus!

Wat is trending in fiscale geschillen en fiscaal strafrecht (deel 3)

21/11/2019 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

Een fiscale controle leidt doorgaans tot discussies over principes en/of over feiten. De feiten verschillen van dossier tot dossier, zodat de aanpak steeds verschilt. Wat de principes betreft, stellen we als kantoor vast dat dezelfde thema’s vaak terugkeren, en dat de administratie zich nogal principieel opstelt. Met een driedelige reeks lichten we telkens enkele hot topics toe. In dit derde luik komen aan bod: Landbouwforfait Einde opstal vennootschap – impact in de personenbelasting van de bedrijfsleider Toepassing antimisbruikbepaling “step-ups“ (holdingstructuren) Strafrechtelijke onderzoeken (onder andere naar aanleiding van verdachte transacties die door financiële instellingen worden gemeld aan het parket)Landbouwforfait Onder andere in de landbouw bestaat de mogelijkheid om in de personenbelasting een aangifte in te dienen op basis van een forfaitaire grondslag (bv. op het aantal bewerkte hectares), in plaats van op basis van bewijskrachtige boekhouding/werkelijke winsten. De fiscus heeft wel de mogelijkheid om – naderhand, bij controle van de aangifte - alsnog te pogen een nevenberekening te maken en een belasting op werkelijke winsten op te leggen. Deze taxaties staan evenwel onder druk. Vooreerst is het niet evident om als fiscus om een ‘niet-willekeurige’ nevenberekening te maken. Er is immers doorgaans geen bewijskrachtige boekhouding voorhanden, nu een aangifte op basis van het forfait dit ook niet vergt. Daarenboven stellen we vast dat deze taxaties zich vaak enten op bepaalde regio’s en soms zelfs op bepaalde belastingplichtigen, waardoor dit aanleiding geeft tot concurrentieverstoring. Einde opstal vennootschap – impact in de personenbelasting van de bedrijfsleider De fiscus heeft de laatste jaren verscherpte aandacht voor opstalstructuren. De feiten zijn doorgaans klassiek: de bedrijfsleider natuurlijke persoon kent aan zijn vennootschap een recht van opstal toe op een perceel grond dat hij in volle eigendom bezit en de vennootschap laat met dit recht een gebouw oprichten op de grond van de bedrijfsleider. Bij de beëindiging van dit recht van opstal, komen de opstallen aan de grondeigenaar toe. Die moet daarvoor in principe een vergoeding betalen die gelijk is aan de waarde van de opstallen op dat moment, zo niet meent de administratie veelal dat het gratis verkrijgen van de opstallen een extra bedrijfsleidersbezoldiging uitmaakt of een in hoofde van de vennootschap een te belasten verworpen uitgave is. Dit administratieve standpunt is evenwel betwistbaar. Zo stelt bepaalde rechtspraak dat een dergelijke taxatie bij het einde van het recht op opstal verjaard is aangezien de rechten op de opstallen eigenlijk reeds worden verkregen bij het vestigen van het recht op opstal. Anderzijds is er rechtspraak die stelt dat er maar sprake is van een belastbaar voordeel in de mate dat de begunstigde een beroepsband heeft met de vennootschap (wat per hypothese niet geldt voor bv. de echtgenote van de bedrijfsleider of de ex-bedrijfsleider). Op controleniveau is dit geen evidente discussie. Los van deze procedurele argumenten is er ook vaak de discussie ten gronde. Wat is de waarde van de overgegane opstallen? Een verslag van een vastgoedexpert die de waarde van de opstallen (exclusief grond) onderbouwt is in ieder geval van groot belang. Eventueel kan op deze problematiek worden geanticipeerd door de opstalduur te verlengen, en de opstallen nog niet te doen overgaan naar het privévermogen. Daardoor wordt de taxatie in ieder geval uitgesteld, en wordt de waarde van het overgedragen vastgoed – vanuit de idee dat waarde grond stijgt, maar dit niet het geval is voor gebouwen - in de toekomst in principe ook kleiner. Noteer dat in bepaalde gevallen de formele verlenging van de opstalduur ook met een zekere vorm van retroactiviteit kan als de partijen zich verder hebben gedragen alsof de opstalverhouding doorliep. Toepassing antimisbruikbepaling step-ups (holdingstructuren) Step-ups zijn structuren waarbij er boven de werkvennootschap een holding wordt opgericht door middel van een inbreng in natura van de aandelen van de werkvennootschap(pen) waarbij er vervolgens - gefinancierd met dividenden van de werkvennootschap(pen) - een belastingvrije kapitaalvermindering plaatsvindt in de holdingvennootschap. Dit is al jaren een doorn in het oog van de fiscus. De fiscus percipieert dit alsof een aandeelhouder belastingvrij dividenden uit zijn werkvennootschap(pen) haalt. De recente wetgevende initiatieven hebben het onmogelijk gemaakt om met dergelijke inbrengen nog fiscaal gestort kapitaal te creëren, maar er zijn nog heel wat vennootschappen die over een ‘oud’ kapitaal beschikken dat destijds nog zo werd gevormd. Indien dergelijke vennootschappen thans overgaan tot een kapitaalvermindering, probeert de fiscus niet zelden deze kapitaalverminderingen alsnog te belasten als een dividenduitkering door toepassing te maken van de nieuwe antimisbruikbepaling, en dit zelfs ondanks het lange tijdsverloop tussen de kapitaalinbreng en de kapitaalvermindering. Hoewel deze taxaties uitermate betwistbaar zijn, stellen we vast dat vennootschappen tot op het niveau van de rechtbank moeten gaan om hun gelijk te halen. Het allereerste precedent in deze context is ondertussen positief beslecht door het Hof van Beroep te Gent. Er wordt algemeen wel verwacht dat er de komende jaren nog veel casussen over de toepassing van de nieuwe antimisbruikbepaling zullen moeten beslecht worden door de rechtbanken en hoven. Strafrechtelijke onderzoeken (onder andere naar aanleiding van verdachte transacties die door financiële instellingen worden gemeld aan het parket) Tot slot stellen we vast dat meer en meer fiscale zaken door het parket zelf worden behandeld, omdat er een frauduleus aspect aan verbonden is. Het gaat om niet-officiële omzet, valse facturen, e.d.m.. Strafzaken vinden daarbij soms hun oorsprong in verdachte transacties (cashtransacties, transacties met buitenlandse rekeningen of het voornemen van dergelijke transacties) die door de financiële instellingen of andere tussenpersonen, buiten het medeweten van betrokken, werden gemeld aan de CFI. Indien één en ander voldoende zwaar weegt, geeft de CFI dit door aan het parket die op haar beurt een fiscaal onderzoek kan starten. Het aantal controles en fiscale geschillen stijgt. Heel wat problematieken komen zeer geregeld terug. Belangrijk is elk geval individueel te te evalueren en daarbij de verschilpunten met de typecasussen waarop de administratie/rechtspraak zich baseert te accentueren. Op die manier kan men een aanvaardbaar akkoord en/of een goede rechterlijke uitspraak nastreven. Wij zijn ter beschikking voor overleg, vanaf de eerste fase van de controle, om deze strategie maximaal te bewandelen.

Voir plus!

Wat is trending in fiscale geschillen en fiscaal strafrecht (deel2)

14/11/2019 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

Een fiscale controle leidt doorgaans tot discussies over principes en/of over feiten. De feiten verschillen van dossier tot dossier, zodat de aanpak steeds verschilt. Wat de principes betreft, stellen we als kantoor vast dat dezelfde thema’s vaak terugkeren, en dat de administratie zich nogal principieel opstelt. Met een driedelige reeks lichten we telkens enkele hot topics toe. In dit tweede luik komen aan bod: Liquidatie van vennootschappen Gesplitste aankoop vruchtgebruik – blote eigendom Toepassing artikel 90,9° WIB’92 – behoren meerwaarden op aandelen tot het normaal beheer van het privévermogen? Vragen om inlichtingen in het kader van buitenlandse tegoeden of stafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van buitenlandse tegoedenLiquidatie van vennootschappen Bij liquidatie van vennootschappen wordt vaak vastgoed toebedeeld aan de aandeelhouder. De fiscus kijkt nauwgezet toe of de “uitbrengwaarde” van het vastgoed aan de aandeelhouder onderbouwd - lees voldoende hoog is - is. Indien de uitbrengwaarde te laag is, kan de fiscus bij de geliquideerde vennootschap een bij de uitbreng gerealiseerde ‘minwaarde’ verwerpen of een extra ‘meerwaarde’ belasten. Dit geeft aanleiding tot extra vennootschapsbelasting èn kan zijn impact hebben op de roerende voorheffing op de liquidatiebonus. Stel bv. dat een vastgoed wordt uitgebracht aan 100, terwijl de fiscus kan hardmaken dat het goed 200 waard is. Dan is er - per veronderstelling 34% - bijkomende vennootschapsbelasting op de grondslag 100 verschuldigd, alsook een bijkomende roerende voorheffing op de weerhouden vermogensaangroei bij de vennootschap (zijnde 100 – 34, gerekend tegen een tarief van 30%, ofwel 19,8). In bepaalde gevallen kan er in een akkoord gekozen worden voor de liquidatiereserve aan 10% in plaats van de volle 30%. Een kwalitatief onderbouwd schattingsverslag van het uitgebrachte vastgoed is in ieder geval cruciaal. Gesplitste aankoop vruchtgebruik – blote eigendom Positief nieuws valt er te rapen inzake de betwistingen rond het gesplitst aankopen van vastgoed (blote eigendom door privé persoon – vruchtgebruik door vennootschap) en de daarmee gepaard gaande waarderingsvraagstukken. De strategie van de fiscus is erop gericht om de waarde van het vruchtgebruik lager te zetten, en de natuurlijke persoon te belasten voor het corresponderende ‘voordeel (van alle aard)’ doordat de naakte eigendom zogezegd te goedkoop verworven werd. Vaak een gepeperde rekening. De administratie vertrekt bij haar huidige berekeningsmethodiek van het standpunt daaromtrent van de rulingcommissie. Deze berekeningswijze is gebaseerd op de netto, niet-geïndexeerde huurwaarde, geactualiseerd tegen het tarief van het netto huurrendement. We stellen vast dat de administratie - op basis van economische motiveringen en negotiatie - steeds vaker afwijkingen toelaat, waardoor belastingplichtige en administratie in de gecontroleerde dossiers naar elkaar toegroeien en deze discussies niet langer moeten escaleren. Deze afwijkingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de actualisatievoet en/of indexatie. Toepassing artikel 90,9° WIB’92 – behoren externe meerwaarden op aandelen tot het normaal beheer van het privévermogen? We stellen voorts vast dat de geschillen rond de vraag of iets al dan niet behoort tot het normaal beheer van een privévermogen toenemen. Indien een bepaalde verrichting niet kwalificeert als ‘normaal beheer’, dreigt een taxatie als divers inkomen tegen een tarief van 33%. Indien een bedrijfsleider zijn bedrijf voor een substantieel bedrag verkoopt durft de fiscus de transactie wel al eens nader onder de loep te nemen en gaat de fiscus op zoek naar feiten die in haar visie zouden kunnen wijzen op een abnormaal beheer om zo de meerwaarde alsnog te kunnen belasten als een divers inkomen. En dit zelfs bij de verkoop aan derden… De vermeende ‘abnormale feiten’ waaraan de fiscus aanstoot neemt zijn vaak erg betwistbaar. Op vandaag is er ons geen rechtspraak bekend die de fiscus hierin volgt. Het is in ieder geval wel raadzaam waakzaam te zijn bij de redactie van documenten die de verkooptransactie begeleiden, en daarbij te vermijden dat bepaalde zaken als abnormaliteit zouden kunnen ingekleurd worden. Vragen om inlichtingen in het kader van buitenlandse tegoeden of stafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van buitenlandse tegoeden De info de Belgische overheid ontvangt op basis van de gegevensuitwisseling ingevolge de “Common Reporting Standard” (gegevensuitwisseling waar ondertussen ook heel wat exotische landen aan deelnemen) geeft vaak aanleiding tot vragen om inlichtingen van de fiscus of zelfs, bij grotere bedragen, strafrechtelijke onderzoeken door het parket. Het is een must om het bestaan en de inkomsten van de buitenlandse tegoeden jaarlijks te vermelden in de aangifte in de personenbelasting. Dit blijkt echter niet altijd voldoende. Naar aanleiding van de ontvangen inlichtingen krijgt de overheid vaak een zicht op de hoegrootheid van het achterliggend buitenlands vermogen. En hoe zit het dan met de herkomst van dit kapitaal? Het aanhouden van kapitaal waarop niet alle belastingen zijn betaald, kan in sommige gevallen beschouwd worden als een witwasmisdrijf, waarvoor doorgaans geen enkele verjaring geldt omdat het aanhouden ervan blijft duren … en daardoor beschikt het parket vaak nog over voldoende tentakels om alsnog de belastingen en (stevige) boetes in te vorderen… Anticiperen (begrijp: regulariseren) is in deze de boodschap. Het aantal controles en fiscale geschillen stijgt. Heel wat problematieken komen geregeld terug. Belangrijk is elk geval individueel te evalueren en daarbij de verschilpunten met de typecasussen waarop de administratie/rechtspraak zich baseert te accentueren. Op die manier kan men een aanvaardbaar akkoord en/of een goede rechterlijke uitspraak nastreven. Wij zijn ter beschikking voor overleg, vanaf de eerste fase van de controle, om deze strategie maximaal te bewandelen.

Voir plus!

Wat is trending in fiscale geschillen en fiscaal strafrecht (deel 1)

07/11/2019 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

Een fiscale controle leidt doorgaans tot discussies over principes en/of over feiten. De feiten verschillen van dossier tot dossier, zodat de aanpak steeds verschilt. Wat de principes betreft, stellen we als kantoor vast dat dezelfde thema’s vaak terugkeren, en dat de administratie zich nogal principieel opstelt. Met een driedelige reeks lichten we telkens enkele hot topics toe. In dit eerste luik komen aan bod: Aftrek privaat aangewend vastgoed in vennootschappen Aftrek intresten leningen voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen Fiscaal domicilie vennootschappen/natuurlijke personen Terbeschikkingstelling onroerend goed door vennootschap - voordeel alle aard bewoning personenbelasting Aftrek privaat aangewend vastgoed in vennootschappen De aftrek voor kosten van onroerende goederen die privé aangewend worden door bedrijfsleiders, wordt door de rechtspraak aan strengere voorwaarden onderworpen. De administratie pikt hier gretig op in. Indien de kosten van dergelijke onroerende goederen niet in evenwicht zijn met de inkomsten die de vennootschap uit deze onroerende goederen verkrijgt, stelt de administratie de aftrek in vraag. In bepaalde dossiers aanvaardt de rechtspraak èn de administratie evenwel de aftrek wanneer de vennootschap kan aantonen dat de gemaakte kosten kaderen in het toekennen van een verloning. Dit is de toepassing van de zogenaamde bezoldigingstheorie. Om dit argument met succes te kunnen inroepen is het enerzijds aangewezen dat het privégebruik van de woning bij de betrokken bedrijfsleider wordt belast in de personenbelasting als een voordeel alle aard en anderzijds dat deze vorm van verloning wordt genotuleerd door de algemene vergadering, mèt de nodige aandacht voor de marktconformiteit van deze verloning. Dit vergt een afweging van de kost van de verloning tegenover opbrengsten die de prestaties van de bedrijfsleider in de schoot van de vennootschap genereren. Aangezien deze discussies vaak zeer feitelijk zijn, is een goede feitelijke onderbouwing en stoffering van het dossier van in den beginne cruciaal. Alternatief om de aftrek te verzekeren is dat het betrokken (privaat deel van het) vastgoed verhuurd wordt aan de bedrijfsleider, doch dit veronderstelt een correcte huurprijs. Indien noch de bezoldigingstheorie, noch de verhuurtheorie spelen, dan ligt de aftrek van de kosten moeilijker (tenzij men een actuele meerwaarde op het vastgoed kan hardmaken). Dan is het kwestie om via een akkoord dubbele belastingen te vermijden. Indien het vastgoed zich slechts voor het vruchtgebruik in de vennootschap bevindt, dan blijkt de administratie een en ander nog scherper te benaderen, ook al is de principiële discussie uiteindelijk dezelfde. Aftrek intresten leningen voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen De fiscus stelt ook de aftrekbaarheid van intresten van leningen die zijn aangegaan voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen aan de aandeelhouder in vraag. Indien de vennootschap onvoldoende onderbouwt dat deze leningen werden aangegaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, durft de administratie de aftrek van deze kosten te weigeren. De administratie mag zich evenwel niet uitspreken over de opportuniteit van de toename van vreemd vermogen ten opzichte van de daling van het eigen vermogen. Het komt er bij dergelijke transacties wel op aan de financieringswijze te onderbouwen en dit voldoende te documenteren. Fiscaal domicilie vennootschappen/natuurlijke personen Er zijn meer en meer acties van de fiscus en het parket om het buitenlandse, fiscale domicilie van natuurlijke personen of vennootschappen terug te brengen naar België. Deze acties hebben niet alleen gevolgen in de sociale zekerheid (te denken valt aan de acties in de transportsector die aan bod kwamen in de media). Ze leiden vaak tot grote geschillen in de directe en indirecte belastingen en soms zelf tot strafrechtelijke vervolgingen. Het fiscaal domicilie van een natuurlijke persoon of rechtspersoon is een zeer feitelijk gegeven, zeker in de huidige moderne samenleving waarbij algemene vergaderingen bijvoorbeeld ook via conference call enz. kunnen gehouden worden. Het is dan ook essentieel om in deze dossiers voldoende verantwoordingsstukken te verzamelen die de “realiteit” van een bepaald fiscaal domicilie kunnen aantonen en de “niet-realiteit” van een Belgisch fiscaal domicilie verdedigbaar maken. Terbeschikkingstelling onroerend goed door vennootschap - voordeel alle aard bewoning personenbelasting Het Hof van Beroep te Gent heeft geoordeeld dat de bepaling op grond waarvan het voordeel alle aard bewoning in de personenbelasting hoger moet worden vastgesteld wanneer een onroerend goed door een vennootschap ter beschikking wordt gesteld (toepassing van de coëfficiënt 3,8 (in voege tot met 31 december 2018)) dan wanneer het vastgoed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft beslist dat het voordeel alle aard in geval van terbeschikkingstelling van een onroerend goed door de vennootschap, gelet op deze schending van het gelijkheidsbeginsel, mag worden geraamd zonder toepassing van de coëfficiënt. Indien de aangifte in de personenbelasting over aanslagjaar 2019 nog niet ingediend werd, is het dus belangrijk om bij de berekening van het voordeel alle aard geen coëfficiënt toe te passen bij een terbeschikkingstelling van een onroerend goed door de vennootschap. Doordat de discriminatie nu pas werd vastgesteld is het goed mogelijk dat er voor reeds gevestigde aanslagen in de personenbelasting een te hoge coëfficiënt werd toegepast. Indien de bezwaartermijn (6 maanden na datum verzending aanslagbiljet) nog loopt en er bezwaar wordt aangetekend zal de administratie in principe akkoord gaan met een ontheffing. Indien de bezwaartermijn evenwel al verstreken is, kan er nog een verzoek tot ambtshalve ontheffing worden ingediend voor alle (eventueel aanvullende) aanslagen die vanaf 1 januari 2015 gevestigd werden. De administratie weigert vooralsnog om deze verzoeken tot ambtshalve ontheffing, bij gebreke aan een vermeend nieuw feit, toe te kennen. De lagere rechtspraak stelt de administratie hier alvast in het ongelijk. Het is dus aan te raden om voor wat betreft het verleden verzoeken tot ambtshalve ontheffing in te dienen en de afwijzingen hiervan vervolgens binnen de drie maanden voor de rechtbank te brengen. Dit kan een mooie belastingbesparing opleveren. Los van wat voorafgaat, is er ook recente rechtspraak die bevestigt dat, als een voordeel voor een natuurlijke persoon in werkelijkheid kleiner is dan het forfaitair bepaalde, dit voordeel fiscaal kan beperkt wordt tot het werkelijk voordeel. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor een voordeel alle aard bewoning met betrekking tot en woning met een hoog KI, waarbij dit aanleiding geeft tot een bedrag aan voordeel alle aard dat hoger is dan de huurwaarde. Het aantal controles en fiscale geschillen stijgt. Heel wat problematieken komen zeer geregeld terug. Belangrijk is elk geval individueel te benaderen en te evalueren en daarbij de verschilpunten met de typecasussen waarop de administratie/rechtspraak zich baseert te accentueren. Op die manier kun je een aanvaardbaar akkoord en/of een goede rechterlijke uitspraak nastreven. Wij zijn ter beschikking voor overleg, vanaf de eerste fase van de controle, om deze strategie maximaal te bewandelen.

Voir plus!

Meer nieuws?

Wilt u bladeren doorheen onze uitgebreide nieuwsbrieven-collectie? Of wenst u graag onze nieuwsbrief in uw mailbox te ontvangen?

Bekijk alles
Inschrijven nieuwsbrief

Contact

Lamote Stragier Advocats SRL

Engelse wandeling 2K 14V
8500 Kortrijk

E. info@lamotestragier.be
T. +32 (0)56 897 601
F. +32 (0)56 897 602

Numéro d'entreprise
BE0694 796 449
Compte cabinet
AXA BE84 7512 0917 2759
Compte cabinet
BNP Paribas BE32 0018 3743 2402
Compte tiers
AXA BE67 7504 1880 0187

Envoyer