Inschrijven nieuwsbrief

Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!

Inschrijven nieuwsbrief

Lamote Stragier Advocaten

Lamote Stragier Advocaten is een nichekantoor gespecialiseerd in het fiscaal recht, het ondernemingsrecht en overnames.

Het team heeft uitgebreide ervaring in high-end dossiers binnen elk van deze domeinen, zowel in advies als in geschillen.

We werken flexibel samen met de ondernemer en met al wie de ondernemer omringt (kader, boekhouder, accountant, revisor, consultant, bankier en notaris).

De aanpak is dynamisch en steeds geënt op de concrete noden: creatief, hands on, juridisch stevig gedragen en met voeling voor de bedrijfsrealiteit.

Onze advocaten van de fiscaliteit en deze van het ondernemingsrecht vormen tegelijk een one-stop overnameteam dat elke bedrijfsovername van a tot z begeleidt, zowel voor verkopers als voor kopers.

Bekijk onze 3 specialisaties

Team

Stijn Lamote | Lamote Stragier Advocaten

Stijn Lamote

Bekijk profiel

Contacteer
Bram Stragier | Lamote Stragier Advocaten

Bram Stragier

Bekijk profiel

Contacteer
Steve Bonte | Lamote Stragier Advocaten

Steve Bonte

Bekijk profiel

Contacteer
Anne-Sophie Anseeuw | Lamote Stragier Advocaten

Anne-Sophie Anseeuw

Bekijk profiel

Contacteer
Eva Deflo | Lamote Stragier Advocaten

Eva Deflo

Bekijk profiel

Contacteer
Maxim Savaete | Lamote Stragier Advocaten

Maxim Savaete

Bekijk profiel

Contacteer
Jelle Derammelaere | Lamote Stragier Advocaten

Jelle Derammelaere

Bekijk profiel

Contacteer
Dieter Beausaert | Lamote Stragier Advocaten

Dieter Beausaert

Bekijk profiel

Contacteer
Gilles Merchiers | Lamote Stragier Advocaten

Gilles Merchiers

Bekijk profiel

Contacteer
Arne Hanssens | Lamote Stragier Advocaten

Arne Hanssens

Bekijk profiel

Contacteer
Valerie Vandemaele | Lamote Stragier Advocaten

Valerie Vandemaele

Bekijk profiel

Contacteer
Anne Planckaert | Lamote Stragier Advocaten

Anne Planckaert

Bekijk profiel

Contacteer

Nieuwsbrieven

Wij sturen maandelijks een digitale nieuwsbrief uit, waarin we uit de praktijk gegrepen ervaringen delen of relevante wetswijzigingen toelichten.

Einde schenkingen in Nederland - dringend actie vereist!

23/09/2020 - Stijn Lamote

Het is al eerder in onze nieuwsbrief verschenen: zoals het wetsvoorstel er vandaag bijligt, zijn er vanaf 1 december 2020 ook 3% schenkingsrechten verschuldigd bij schenkingen (van aandelen, beleggingsportefeuilles, maatschappen, kunst, …) in Nederland. Tot dan zijn er geen schenkingsrechten. Vanaf 1 december 2020 wordt fiscaal optimaal aan successieplanning doen met andere woorden weer iets moeilijker… Wie (al) een planning in gedachten heeft, rolt deze met andere woorden best uit voor 1 december 2020. De laatste weken kloppen dan ook heel wat ‘schenkers’ aan onze deur om hen te begeleiden in een successieplanning. Omdat een ‘gezonde’ successieplanning toch enige doorlooptijd vergt (intakebespreking, verzameling gegevens, ontwerp fase, besprekingsrondes, …) en de agenda’s van de Nederlandse notarissen behoorlijk onder druk staan, verzoeken wij u in voorkomend geval uw dossier zo vroeg mogelijk bij ons te introduceren en de deadline niet verder af te wachten.

Lees meer!

De bijzondere liquidatiereserve – hoe reageren op door de administratie massaal rondgestuurde kennisgevingen?

17/09/2020 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

aangetekend schrijven van de fiscus De fiscus heeft de voorbije weken aan ongeveer 13.000 vennootschappen die destijds gebruik maakten van de tijdelijke overgangsmaatregel van de “bijzondere liquidatiereserve 2012-2014” een aangetekende brief verzonden. In de zomer van 2013 werd beslist om het tarief van liquidatieboni te verhogen naar 25% (ondertussen 30%). Om een massale liquidatie van vennootschappen te vermijden werd toen onmiddellijk voorzien in een (eerste) overgangsmaatregel, namelijk een systeem van “interne liquidatie” (artikel 537 WIB’92) waarbij vennootschappen de mogelijkheid verkregen om onder bepaalde voorwaarden de in het verleden opgebouwde reserves aan een aanslagvoet van 10 procent uit te keren. Later, in 2014, werd voorzien in een (tweede) permanente overgangsmaatregel, van toepassing vanaf het aanslagjaar 2015, namelijk het systeem van de “liquidatiereserve” (artikel 184 quater WIB’92) waarbij de reserves van kleine vennootschappen kunnen worden onderworpen aan een anticipatieve heffing van 10%. In 2015 werd vervolgens het systeem van de “bijzondere liquidatiereserve” (artikel 541 WIB’92) ingevoerd; dit voorzag in een systeem waarbij reserves van “kleine vennootschappen” met betrekking tot de aanslagjaren 2013 en 2014 retroactief onder voorwaarden (!) ook konden genieten van de anticipatieve heffing van 10%. Het zijn de vennootschappen die destijds gebruik maakten van dit laatste tijdelijke systeem van de “bijzondere liquidatiereserve 2012-2014”, die op heden worden aangeschreven door de fiscus. bezwaar binnen de 6 maanden…? Het aangetekend schrijven is een kennisgeving van inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier. In dit schrijven stelt de administratie dat de destijds betaalde anticipatieve heffing van 10 procent definitief verworven is door de Belgische Staat indien aan alle voorwaarden is voldaan. Indien niet cumulatief voldaan is aan alle voorwaarden voor de bijzondere liquidatiereserve stelt de administratie dat er binnen een termijn van 6 maanden een bezwaarschrift kan worden ingediend om een terugbetaling van de destijds betaalde anticipatieve heffing/bijdrage te bekomen. De administratie sluit de brief af met de volgende mededeling “deze kennisgeving belet ons echter niet om later de voorwaarden te onderzoeken en, indien nodig, de aangegeven bijzondere liquidatiereserve (gedeeltelijk) te verwerpen in de vennootschapsbelasting”. De administratie heeft blijkbaar vastgesteld in de praktijk dat er vaak gezondigd is geweest tegen de formaliteiten en voorwaarden die dienden vervuld te zijn voor de aanleg van de “bijzondere liquidatiereserve”, waardoor er eigenlijk geen recht is op de 10% heffing. Zo rijzen er kennelijk vaak problemen rond de voorwaarden van (1) de tijdige neerlegging van de jaarrekening, (2) het bijzonder aangifteformulier dat ook als stuk moest worden gevoegd bij de aangifte in de vennootschapsbelasting en (3) – wellicht vooral - de vraag of er al dan niet sprake is van een kleine vennootschap. De “kleine vennootschap voorwaarde” is immers essentieel voor de toepassing van het gunstregime, doch uit de praktijk blijkt dat het in deze context niet altijd eenvoudig te bepalen is of er al dan niet sprake is van verbonden vennootschappen, bijvoorbeeld omdat de vennootschap één of meer andere vennootschappen controleert of omdat er sprake is van een consortium omdat bijvoorbeeld de bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen. Alsdan kan een vennootschap die op zich klein is plots groot worden ingevolge geconsolideerde benadering. Naar eigen zeggen wil de administratie door middel van dit schrijven de belastingplichtigen nog eens de kans geven om dit opnieuw te bekijken. Mocht immers blijken dat de voorwaarden voor de bijzondere liquidatiereserve niet zijn voldaan kan de belastingplichtige alsnog zelf door middel van een bezwaarschrift de destijds betaalde heffing van 10 procent terugvorderen. Na het verstrijken van de bezwaartermijn zou de destijds betaalde heffing van 10 procent volgens de administratie voor de schatkist definitief verworven zijn en kan ze niet meer worden teruggevorderd. Wanneer dan later bij een controle zou worden vastgesteld dat de liquidatiereserve ten onrechte zou zijn aangelegd en uitgekeerd, moet dan volgens de administratie bovenop de destijds betaalde 10% roerende voorheffing (bij uitkering (?)) nog eens 30% roerende voorheffing worden betaald, wat dus neerkomt op een totale belastingdruk van 40 procent op de aangelegde bijzondere liquidatiereserve. Zonder de brief was er geen enkele kennisgeving van de inning van deze bijdrage, waardoor er geen bezwaartermijn liep en waardoor de belastingplichtige dus in principe 10 jaar de tijd had om deze bijdrage in geval van discussie terug te vorderen (dit is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn). Door het aangetekend schrijven – of de kennisgeving van inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier – begint de bezwaartermijn nu duidelijk te lopen. … of toch niet? Ons kantoor heeft echter een aantal kritische bedenkingen bij dit alles en acht het bijvoorbeeld onder meer betwistbaar dat de betaalde heffing na de bezwaartermijn van 6 maanden niet meer zou kunnen worden teruggevorderd. Volgens ons kantoor ontstaat er immers dubbele belasting wanneer (bij uitkering (?)) alsnog 30% zou moeten worden betaald op de destijds aangelegde bijzondere liquidatiereserve waarop reeds 10% is betaald, waardoor een ambtshalve ontheffing wegens dubbele belasting principieel mogelijk moet zijn. In geval van dubbele belasting begint de termijn van 5 jaar te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd die de dubbele belasting heeft doen ontstaan (in casu dan de extra roerende voorheffing van 30%). Daarnaast zijn er goede argumenten om te stellen dat niet om eender welke (formele) reden het regime van de liquidatiereserve nu nog kan ontzegd worden. evalueren en anticiperen… Los van deze bedenkingen is het echter wel duidelijk dat belastingplichtigen die dergelijk schrijven hebben ontvangen een praktisch grote kans lopen op controle van de destijds aangelegde bijzondere liquidatiereserve. In die zin is het wel raadzaam om in dossiers nu proactief na te gaan of alle voorwaarden voorzien in artikel 541 WIB’92 destijds werden vervuld. Mocht een liquidatiereserve destijds niet correct aangelegd zijn geweest, kan vervolgens nagedacht worden of de belastingplichtige in kwestie een bezwaar al dan niet opportuun acht.

Lees meer!

Meer duidelijkheid over timing einde kaasroute

07/07/2020 - Stijn Lamote

Wij berichtten u vorige week over het einde van de ‘kaasroute’. Zie nieuwsbrief d.d. 26.06.2020: ‘Einde van de kaasroute op 20 juli 2020?’ Deze namiddag 7 juli 2020 heeft de Kamercommissie Financiën het voorstel om deze route te sluiten effectief aangenomen. De door de commissie aangenomen tekst voorziet deze sluiting evenwel pas vanaf 1 december 2020. De tekst moet nu nog naar de plenaire vergadering; de kans dat de tekst daar niet aangenomen wordt, is bijzonder klein geworden. Tot 30 november 2020 zouden schenkingen in Nederland met andere woorden zonder heffing van schenkingsrechten mogelijk blijven.

Lees meer!

Einde van de kaasroute op 20 juli 2020?

26/06/2020 - Stijn Lamote

Schenkingen van roerende goederen gebeuren vaak in het buitenland, meestal in Nederland (vandaar de kaasroute). Daar kan men immers schenken zonder dat er schenkingsrechten verschuldigd zijn; indien er dan geen overlijden plaatsvindt binnen de drie jaar is er definitieve bevrijding van successierechten op het geschonken vermogen. Er is nu een wetsvoorstel om deze kaasroute te sluiten. Buitenlandse schenkingsaktes zouden ook in Vlaanderen moeten worden geregistreerd, en dus aanleiding geven tot schenkingsrechten, vooraleer ze van enig nut zijn in het kader van successieplanning. Naar verluidt zou er een politieke meerderheid zijn om dit wetsvoorstel in wet om te zetten. De wet zou in werking treden 10 dagen na publicatie in het staatsblad. Praktisch gezien zou de kaasroute met andere woorden tegen ongeveer 20 juli kunnen gesloten zijn. Wie nog een schenking wil doen in Nederland, vat dus best snel de koe bij de horens.

Lees meer!

Game changer bij kapitaalverminderingen en dividenduitkeringen – Cassatie verduidelijkt bewijskader met oog op aftrek financieringskosten

05/06/2020 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

De tijd dat zomaar aanvaard wordt dat alle kosten die voortvloeien uit het bestaan zelf van een vennootschap steeds aftrekbaar zijn, is al even voorbij. De laatste jaren heeft het Hof van Cassatie meermaals gesteld dat, om aftrekbaar te kunnen zijn, de vennootschap moet kunnen aantonen dat de kosten gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, dit is de zogenaamde finaliteitsvoorwaarde. Om aftrekbaar te kunnen zijn moeten de kosten met andere woorden worden gemaakt in het belang van de vennootschap en de vennootschap moet dit kunnen bewijzen (artikel 49 WIB 92). In deze context lokt de administratie de laatste jaren verschillende discussies uit over deze finaliteitsvoorwaarde om de volgens haar excessieve kostenaftrekken binnen vennootschappen halt toe te roepen. Te denken valt aan de verschillende vastgoedzaken waarbij bijvoorbeeld door de administratie wordt beweerd dat een appartement aan zee of een woning die ter beschikking wordt gesteld aan de bedrijfsleider deze finaliteitstoets niet zou doorstaan (ondertussen werd de aftrek evenwel reeds meermaals in de rechtspraak toegestaan op basis van de meerwaardetheorie of bezoldigingstheorie). Ook bij de FBB-zaken werd door de fiscus beweerd dat de finaliteitsvoorwaarde niet zou zijn voldaan (Cassatie oordeelde hier evenwel anders over). De finaliteitstoets wordt in dit kader ook gecontroleerd in dossiers waarbij financieringskosten (interestkosten van een lening) worden gemaakt om bijvoorbeeld te kunnen overgaan tot een kapitaalvermindering of dividenduitkering. In twee pilootdossiers, waaronder de zaak van de nv Nyrstar, nam de BBI het standpunt in dat dergelijke financieringskosten onmogelijk de finaliteitstoets kunnen doorstaan en dus nooit aftrekbaar kunnen zijn. Standpunt dat uiteraard veel stof liet opwaaien in de rechtsleer. Het Hof van Beroep te Gent en het Hof van Beroep te Antwerpen gaf de BBI evenwel in deze twee pilootdossiers twee keer gelijk en weigerde dus de aftrek van de financieringskosten omdat de finaliteitsvoorwaarde niet zou zijn bewezen. In de zaak van de nv Nyrstar heeft het Hof van Cassatie echter recent een zeer duidelijk standpunt ingenomen in deze problematiek. In een arrest van 19 maart 2020 heeft het Hof van Cassatie klaar en duidelijk beslist dat dergelijke financieringskosten wel degelijk aftrekbaar kunnen zijn, doch dat het daarvoor aan de vennootschap toekomt te bewijzen dat de interestlasten - en dus niet de kapitaalvermindering of de dividenduitkering zelf! (daarvan kan de fiscus de opportuniteit niet beoordelen) - voldoen aan de finaliteitsvoorwaarde. De loutere omstandigheid dat een vennootschap op het ogenblik dat zij betalingen moet uitvoeren, over onvoldoende liquiditeiten beschikt en bijgevolg een lening aangaat om die betalingen uit te voeren, volstaat volgens het Hof van Cassatie evenwel niet als bewijs. Het Hof geeft als voorbeeld dat het afdoende bewijs wel kan geleverd worden door aan te tonen dat de lening werd aangegaan om het verlies te voorkomen van activa die worden gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De BBI krijgt dus ongelijk alwaar zij de mening is toegedaan dat dergelijke financieringskosten sowieso niet aftrekbaar zijn. De BBI krijgt ook ongelijk alwaar zij de opportuniteit van een kapitaalvermindering of dividenduitkering zou mogen beoordelen, dat is de vrije keuze van de aandeelhouders van de vennootschap. De invulling van de bewijslast is dus (andermaal) cruciaal, en een verwittigd man is er twee waard. Overdenk en documenteer bij een kapitaalvermindering en/of dividenduitkering de financieringsstrategie (bv documenteren en notuleren dat het aangaan van een lening nodig is om de liquiditeitsbuffer te kunnen behouden en/of inkomstengenererende activa niet van de hand te moeten doen)! Desgevallend kun je dit preventief laten screenen.

Lees meer!

Fiscale kwartaalbrief 2020/1

21/04/2020 - Stijn Lamote

In deze fiscale kwartaalbrief brengen wij u in kort bestek een overzicht van de zaken die over het afgelopen kwartaal in de fiscale wetgeving, rechtspraak en administratieve beslissingen in het oog sprongen. U kunt bij ons terecht voor de achterliggende documentatie en/of voor overleg over de toepassing ervan in uw dossiers. vennootschapsbelasting De meerwaarde theorie houdt in dat een onroerend goed fiscaal afschrijfbaar is in de vennootschap, alleen al door de mogelijkheid om in de toekomst op datzelfde onroerend goed een meerwaarde te realiseren (artikel 49 WIB 92). En dit ongeacht het gebruik van het onroerend goed (bv ter beschikking stelling aan de bedrijfsleider). Deze theorie vindt steeds meer bijval. Nadat eerder het Hof Gent (Gent, 3 december 2019) zo besliste, deelt ook het Hof Antwerpen dit standpunt (Antwerpen, 14 januari 2020). Dit veronderstelt wel dat het vastgoed zich in volle eigendom in de vennootschap bevindt. Met ingang van aanslagjaar 2019 kunnen ingevolge de hervorming van de vennootschapsbelasting voorzieningen nog slechts fiscaal vrijgesteld worden voor zover (1) de voorzieningen voortvloeien “uit verbintenissen die door de onderneming zijn aangegaan gedurende het belastbaar tijdperk of een van de voorafgaande belastbare tijdperken” of (2) de voorzieningen voortvloeien uit “wettelijke of reglementaire verplichtingen” (artikel 194 WIB 92). De rulingpraktijk toetst de praktijk aan deze verstrengde vrijstellingsvoorwaarden. De voorziening voor ontslaguitkering bij collectief ontslag komt in aanmerking voor fiscale vrijstelling. De voorzieningen voor onderhoudskosten en de voorzieningen voor herstellingen en groot onderhoud komen (in tegenstelling tot wat voorheen het geval was) niet langer in aanmerking omdat dit in principe kosten zijn die vrijwillig worden aangegaan. De btw op kosten van onthaal is toch aftrekbaar indien deze kosten tegelijkertijd kwalificeren als kosten van publiciteit. In de vennootschapsbelasting wordt er evenwel (voorlopig?) strenger geoordeeld. Receptiekosten zijn slechts voor 50% aftrekbaar (artikel 53, 8° WIB 92), terwijl restaurantkosten slechts ten belope van 69% aftrekbaar zijn (artikel 53, 8bis WIB 92), zelfs al maken ze telkens tegelijkertijd publiciteitskosten (bv naar aanleiding van een event rond de lancering van een nieuwe kledinglijn) uit. De aard van de uitgaven, primeert op het doel ervan (circulaire 2020/C/42 van 17 maart 2020). De administratie komt daarmee terug op een eerder andersluidend standpunt van de Minister van Financiën. Vraag is of het retroactief karakter van dit standpunt niet strijdig is met het vertrouwensbeginsel. Alleen als de fiscus simulatie bewijst, kan de fiscus het bestaan van een vennootschap negeren. De inkomstenbelastingen dienen immers, onder voorbehoud van antimisbruikbepalingen, te worden geheven op de werkelijke en niet gesimuleerde gehanteerde juridische constructies (Cassatie, 2 januari 2020). Het arrest is een nuttig precedent voor natuurlijke personen die hun prestaties leveren via managementvennootschap. Er is een circulaire verschenen waarin een overzicht wordt gegeven van de OESO richtlijnen inzake verrekenprijzen van multinationale ondernemingen en belastingadministraties (Circulaire 2020/C/35 van 25 februari 2020). Er is in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2021 en 2022 de mogelijkheid om voorheen belastingvrij gereserveerde winsten om te zetten in belaste reserves, en dat tegen een verlaagd tarief van 15% (algemeen) of 10% (mits investeringen); de grondslag vinden we terug in artikel 519ter WIB 92. Deze belastingvrije reserves zouden normalerwijze ooit belast worden aan het normale tarief; of deze beweging de moeite waard is, hangt dus af van een actuariële berekening: een euro waarvan men voorziet dat hij bv. pas binnen twintig jaar moet betaald worden, is minder waard dan een euro die men vandaag betaalt. In een circulaire verduidelijkt de administratie nu een en ander (circulaire 2019/c/24 van 19 maart 2019). De verduidelijkingen zijn onder andere de volgende: - vooreerst moet gesteld dat deze regeling optioneel is; het kan nuttiger zijn om belastingvrije reserves te laten belasten tegen het normale tarief, omdat er bv. verliezen van het boekjaar zijn; - de reserves die in aanmerking komen zijn onder andere: vrijgestelde verwezenlijkte meerwaarden onder de onaantastbaarheidsvoorwaarde (uitsluiting voor meerwaarden op bedrijfsvoertuigen bedoeld in artikel 44bis WIB 92, gespreid te belasten meerwaarden in de zin van artikel 47 WIB 92 en meerwaarden op binnenschepen en zeeschepen; vrijgestelde winsten van inschakelingsbedrijven; de investeringsreserve van artikel 194 quater WIB 92; … De grondslag waarop de aftrekbeperking voor bedrijfswagens (artikel 66 WIB 92) in hoofde van de vennootschap moet worden toegepast, wordt verminderd met de eigen bijdrage van de bedrijfsleider/werknemer voor het genoten voordeel (Gent, 17 december 2019). Interesten van leningen (die een aandeelhouder/bestuurder aan zijn vennootschap toestaat) zijn slechts aftrekbaar voor zover ze niet hoger zijn dan de marktrente (artikel 55 WIB 92). Deze marktrente wordt voor 2020 bepaald op 4,06%. Een Porsche Cayenne hybride heeft een dermate duurzame kwaliteit dat een afschrijving over 7 (in plaats van 5 jaar) jaar wenselijk is (Antwerpen, 7 oktober 2019).personenbelasting Een natuurlijk persoon die in vennootschap B optreedt als vaste vertegenwoordiger van de besturende vennootschap A in B, oefent in B “gelijksoortige functies” uit als die van een (rechtstreeks) bestuurder zodat hij fiscaal aan te merken is als bedrijfsleider van de eerste categorie (artikel 32, al. 1, 1° WIB 92) (Cassatie, 23 januari 2020). Dit heeft onder andere een impact op de herkwalificatie van interesten in dividenden bij rentegevende voorschotten en de herkwalificatie van huur in beroepsinkomen wanneer een bedrijfsleider aan zijn vennootschap verhuurt; beide herkwalificaties zijn enkel toepasselijk bij een bedrijfsleider eerste categorie. Wanneer een bestuurder een renteloze schuld heeft ten aanzien van zijn vennootschap bedraagt het voordeel alle aard 8,78% (artikel 36 WIB 92); indien de lening evenwel een vaste looptijd heeft, wordt er gewerkt met een maandelijks lastenpercentage van 0,12% (KB, 17 februari 2020). De forfaitaire waardering van een voordeel alle aard (artikel 36 WIB 92) is niet van toepassing als de belastingplichtige kan aantonen dat de marktwaarde van het voordeel lager is en de belastingplichtige dit kan bewijzen (Antwerpen, 28 mei 2019). De administratie beraadt zich over deze belangrijke rechtspraak … Voor het VVPRbis regime (artikel 269 §2 WIB 92) is het ook volgens de rulingcommissie voldoende dat de inbreng is volstort op het ogenblik dat de dividenden worden uitgekeerd (voorafgaande beslissing nr. 2019.0658).onroerende voorheffing Onroerende goederen die door de belastingplichtige of bewoner zonder winstoogmerk een bijzondere bestemming krijgen, zijn in principe vrijgesteld van onroerende voorheffing (artikel 253 WIB 92, artikel 2.1.6.0.1. VCF). In de wet zelf is een uitdrukkelijke vrijstelling voorzien als het gaat om een bestemming voor “het openbaar uitoefenen van een eredienst of van vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, of vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden.” Daarnaast vermeldt de wet een soort van restcategorie, het gaat om onroerende goederen die, zonder winstoogmerk, een bestemming als “weldadigheidsinstelling” krijgen die “soortgelijk” is aan de in de wet zelf genoemde bestemmingen. Een VZW die een “kringloopwinkel” uitbaat en zich bezighoudt met een “sociaal tewerkstellingscentrum” krijgt in die context haar vrijstelling van onroerende voorheffing bevestigd (Antwerpen, 29 oktober 2019).internationaal fiscaal recht Op grond van het Belgisch-Frans dubbelbelastingverdrag mag Frankrijk op dividenden een bronheffing inhouden (van in principe maximaal 15%), terwijl België de inkomsten mag onderwerpen aan belasting (artikel 15 dubbelbelastingverdrag België – Frankrijk). Het dubbelbelastingverdrag voorziet een verrekening van de Frans belasting in België (FBB). België heeft deze verrekening evenwel intern afgeschaft voor particuliere situaties. Gezien de primauteit van het internationale recht op het nationale recht, waarbij het dubbelbelastingverdrag wel in deze verrekening voorziet, is België evenwel verplicht tot het verlenen van deze verrekening (Antwerpen, 17 december 2019).btw Naar aanleiding van de invoering van de optie om de verhuur van een nieuw gebouw te onderwerpen aan de btw, werden ook de herzieningsregels aangepast. De herzieningstermijn bedraagt in dat geval 25 jaar in plaats van de gebruikelijke 15 jaar (artikel 9 BTW KB nr. 3). De vijfjarige herzieningstermijn voor omvorming of verbetering van gebouwen is niet gewijzigd, ook al wordt er met btw verhuurd in kader van dit optiestelsel. De administratie heeft omtrent deze regelgeving een circulaire gepubliceerd: Circulaire 2019/C/134 van 17 december 2019. In de circulaire komt onder meer duidelijk naar voor dat een gedeelte van een gebouw dat op autonome wijze kan worden verhuurd (bv. een verdieping), telkens onder een eigen regeling kan vallen; dit betekent dat een gedeelte van een gebouw kan worden verhuurd met btw onder de keuzeregeling, terwijl een ander gedeelte kan worden verhuurd met vrijstelling van btw. Indien een verhuurcontract met btw plaatsvindt (cfr. keuzerecht), dan brengt de registratie hiervan toch het registratierecht van 0,2% (artikel 83, eerste lid, 1° W. Reg.) met zich mee, ondanks de toepasselijkheid van de btw (beslissing nr. EE/107.200).fiscale procedure en fiscaal strafrecht Het Hof van Beroep van Gent doet een zeer belangrijke uitspraak inzake de algemene antimisbruikbepaling ingevoerd in 2012 (artikel 344 §1 WIB 92). Deze heeft geen retroactieve werking. Indien de fiscus misbruik ontwaart, kan zij de antimisbruikbepaling niet toepassen op een reeks van handelingen (bv inbreng van aandelen in een holding gevolgd door een kapitaalvermindering) indien niet alle handelingen vanaf 2012 zijn gesteld (Gent, 3 december 2020). De rechtbank van Antwerpen had eerder al eenzelfde standpunt ingenomen (Rb. Antwerpen, 29 oktober 2018). Dit zijn mokerslagen voor het succes van de antimisbruikbepaling. Een huisvisitatie door een fiscaal ambtenaar van “particuliere woningen of bewoonde lokalen” vereist een machtiging van de rechter in de politierechtbank (artikel 319, alinea 2 WIB 92; artikel 63 BTW-Wetboek). Deze machtiging moet gemotiveerd zijn. In een bepaald geval verwees de machtiging naar de regelgeving in de BTW, terwijl de vaststellingen uiteindelijk werden gebruikt in de inkomstenbelastingen. Dit maakte de machtiging – en dus de visitatie – … en dus de daarop gebaseerde aanslag ongeldig (Rb. Gent, 12 december 2019). In de praktijk stellen zich wel meer problemen met de motivering van de machtigingen. Met ingang van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in strafzaken heeft de wetgever onder meer gesleuteld aan het overleg tussen de fiscus en het parket via het invoeren van een verplicht overleg over welbepaalde fraudedossiers, met de daaraan gekoppelde verplichting in hoofde van de adviseurs-generaal om de dossiers ernstige fiscale fraude aan te geven bij het parket. Een KB legt nu de criteria vast wanneer er sprake is van ernstige fiscale fraude (KB , 9 februari 2020). Dit is het geval wanneer de feiten beantwoorden aan minstens één van volgende criteria: (1) de feiten kenmerken zich door een ernstig en georganiseerd karakter; (2) of er zijn aanwijzingen dat de feiten samenhangend zijn met gemeenrechtelijke misdrijven met een ernstig financieel, economisch, fiscaal of sociale component of ernstige elementen van corruptie; (3) voor het onderzoek naar de feiten moeten er gerechtelijke opsporingshandelingen worden uitgevoerd; (4) er zijn ernstige aanwijzingen dat de feiten dienen ter financiering van de activiteiten van een terroristische groep of criminele organisatie. Gestolen bankgegevens kunnen door de fiscus worden gebruikt bij een taxatie, voor zover de fiscus zelf geen fout heeft begaan (Antwerpen, 19 november 2019). Dit is een toepassing van de Antigoonleer (het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs voor het vaststellen van de belastingschuld, is niet principieel verboden). De aanslag geheime commissielonen (artikel 219 WIB 92) kan niet worden toegepast in hoofde van de (voordeel) verstrekkende vennootschap indien de genieter van het voordeel ondubbelzinnig werd geïdentificeerd zodat de administratie hem nog heeft kunnen belasten, ongeacht of de fiscus dit ook effectief heeft gedaan (Antwerpen, 7 januari 2020). Tegen een (negatieve) ruling kan opgekomen worden bij de rechtbank met oog op vernietiging (Rb. Brussel, 3 februari 2020). Bij het systeem van ambtshalve ontheffing kan tegen een aanslag opgekomen worden tot 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de aanslag werd gevestigd (in de plaats van de 6 maanden bij een bezwaar), dit in een limitatief aantal gevallen waaronder het geval van materiële vergissing. Het begrip materiële vergissing wordt door de fiscus eng geïnterpreteerd. Het Hof van Beroep Gent interpreteert dit evenwel steeds ruimer. Een verstrooidheid die niet kan vermoed zijn het gevolg te zijn van enige juridische beoordeling of van een beredeneerde intellectuele keuze, kwalificeert als een materiële vergissing (Gent, 3 december 2019). Deze beslissing is vermoedelijk gesteund op het feit dat het regime van de ambtshalve ontheffing is ingegeven door de billijkheid. Een subsidiaire aanslag (artikel 356 WIB 92) is een aanslag die de administratie voorlegt aan de rechtbank nadat de oorspronkelijke aanslag werd vernietigd door de rechtbank/het Hof. Het Hof van Cassatie stelt dat een subsidiaire aanslag geen hogere belastbare grondslag mag treffen dan de oorspronkelijke aanslag (Cass, 23 januari 2020).erfbelasting / schenkbelasting / successieplanning Er is in de erfbelasting een gunstregeling voor familiale vennootschappen (vererving aan 3% in rechte lijn – artikel 2.7.4.2.2. VCF). Voorwaarde is wel dat de vennootschap een reële economische activiteit heeft. Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben indien er (1) te weinig bezoldigingen zijn en (2) de terreinen en gebouwen meer dan 50% van het actief uitmaken. Vlabel laat wel toe dat u het tegenbewijs levert, maar dan moet u volgens Vlabel van elk van de onroerende goederen kunnen aantonen dat ze geen privé patrimonium uitmaken. Vlabel gaat er daarbij steeds van uit dat verhuurde, onroerende goederen deel uitmaken van het privé patrimonium. De rechtbank van Gent spreekt dit nu tegen. In casu was er, ondanks dat voormelde parameters niet goed zaten, een slagerij in de vennootschap geëxploiteerd. Dit volstond voor de toepasselijkheid van het gunststelsel. De aanwezigheid van een patrimoniumactiviteit naast deze van een reële economische activiteit sluit het gunststelsel niet uit (Rb. Gent, 4 februari 2020). Het inbrengen van onroerende goederen in een vennootschap, gevolgd door het wegschenken van de aandelen met toepassing van het (lage) tarief van 3% in de schenkingsrechten, is in een concreet geval geen fiscaal misbruik. Men kon immers duiden dat de inbreng in een vennootschap beantwoordde aan niet fiscale motieven – artikel 3.17.0.0.2. VCF (Gent, 17 december 2019). Dergelijk scenario kan zeer interessant zijn bij in extremis successieplanning van vastgoed (dat normaal aan de duurdere schenkingstarieven onderworpen is). Sterfhuisclausules, waarbij een echtgenoot via huwelijkscontract alle gemeenschappelijk vermogen zonder erfbelasting bekomt, blijven vrij qua erfbelasting voor zover de wijziging van het huwelijkscontract (die de sterfhuisclausule voorzag) plaatsvond voor 1 juli 2015 – artikel 2.7.1.0.4. en 2.7.1.0.2. VCF (Gent, 24 december 2019).registratierechten / vastgoedplanning In de BV is er niet langer kapitaal; zelfs voor bestaande BV’s is er vennootschapsrechtelijk met ingang van 1 januari 2020 enkel nog sprake van een – in principe onbeschikbare – eigen vermogensrekening. In de Vlaamse Codex Fiscaliteit (hierna VCF) is er een bijzondere regeling voor de toebedeling van vastgoed door een vennootschap aan haar vennoten. De regeling valt uiteen in twee luiken (artikel 2.9.1.0.4. VCF): het eerste luik leert ons dat vastgoed van een NV dat wordt toebedeeld aan een vennoot altijd onderworpen is aan het verkooprecht van 10%; het tweede luik houdt in dat dit ook geldt ten aanzien van een VOF, een commanditaire vennootschap, een BV of een CV, zij het dat daar uitzonderingen gelden (als vastgoed verkregen wordt door een vennoot die het destijds inbracht / als vastgoed verkregen wordt door een vennoot die vennoot was op het ogenblik dat de vennootschap het vastgoed met verkooprecht verkreeg); in dat geval is de transactie belastbaar volgens de gemeenrechtelijke aard van de toebedeling (verkooprecht, verdeelrecht of het algemeen vast recht); in het kader van die tweede regeling is er ook een zogenaamde wachtregeling waarin de toepassing van de registratiebelasting (in functie van de gemeenrechtelijke aard van de toebedeling) uitgesteld wordt naar een later moment bij verkrijging door alle vennoten van de betrokken vennootschap; deze wachtregeling gold tot voor kort bij de reële kapitaalvermindering of bij een vereffening van de vennootschap. In het kader van de aangepaste VCF is de wachtregeling voortaan van toepassing bij “een gehele of gedeeltelijke vereffening”. Vlabel bevestigt dat de wachtregeling blijft gelden in geval van uitkering in natura van een onroerend goed die wordt aangerekend op de ‘inbreng’ (die in de plaats is gekomen van het afgeschafte ‘kapitaal’) (Vlabel, standpunt nr. 19078 van 9 december 2019). Bij einde van opstal gaat het gebouw (de opstal) uit kracht van wet (meer bepaald door natrekking) over op de grondeigenaar, zonder toepassing van registratierechten. Er bestaat vaak discussie of er ook geen registratierechten toepasselijk zijn bij een vervroegde beëindiging van het opstalrecht: er zijn volgens het Hof van Beroep van Gent geen registratierechten verschuldigd in zoverre de vervroegde beëindiging van een opstalrecht geen (verdoken) overdrachtsovereenkomst uitmaakt en de natrekking dus ten volle speelt. Dat er op het einde van de opstal een vergoeding wordt betaald door de opstalgever/grondeigenaar aan de opstalhouder staat hieraan niet in de weg: deze vergoeding kan immers het voortijdig verlies van het tijdelijk eigendomsrecht van de opstalhouder op de gebouwen en van het genot van de opstallen compenseren (Gent, 7 januari 2020). We blijven de actualiteit voor u verder op de voet volgen en komen begin juli 2020 bij u terug met het fiscaal kwartaaloverzicht voor Q2 2020.

Lees meer!

Mokerslag voor de retroactieve toepassing van de antimisbruikbepaling

13/02/2020 - Anne-Sophie Anseeuw, Stijn Lamote

De Programmawet van 29 maart 2012 heeft in ons wetboek van inkomstenbelastingen onder artikel 344 §1 WIB’92 een nieuwe verruimde antimisbruikbepaling ingeschreven. Zo kan er sindsdien sprake zijn van fiscaal misbruik wanneer (1) de fiscus in staat is te bewijzen dat het doel en de strekking van een bepaalde fiscale bepaling gefrustreerd zijn wanneer een bepaalde handeling niet zou belast worden én (2) de belastingplichtige daarbij niet is staat is te bewijzen dat de door hem gekozen rechtshandelingen door andere motieven worden verantwoord dan door fiscale motieven. Bij effectieve toepassing van de antimisbruikbepaling kan de fiscus de minder of niet belaste handeling negeren en de meer belaste handeling in de plaats stellen. Inwerkingtreding antimisbruikbepaling volgens de letterlijke lezing wet De inwerkingtreding van deze nieuwe antimisbruikbepaling wordt in artikel 169 van voormelde Programmawet uitdrukkelijk geregeld als volgt: “Artikel 167 is van toepassing vanaf aanslagjaar 2013, alsmede op rechtshandelingen of het geheel van rechtshandelingen die zijn gesteld tijdens een belastbaar tijdperk dat afsluit ten vroegste op de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad en is verbonden aan het aanslagjaar 2012. (…)” (eigen klemtoon) Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat de nieuwe antimisbruikbepaling slechts van toepassing is op (het geheel van) rechtshandelingen gesteld vanaf aanslagjaar 2013 (met een uitzondering voor vennootschappen die anders dan per kalenderjaar boekhouden). Alle betrokken rechtshandelingen moeten daarbij dateren vanaf dit aanslagjaar 2013 en er kan geen retroactieve werking worden verleend aan de antimisbruikbepaling. Inwerkingtreding antimisbruikbepaling volgens de administratie De administratie interpreteert deze nochtans duidelijke wetsbepaling evenwel anders. In haar Circulaire Ci. RH. 81/616.207 d.d. 4 mei 2012 stelt de administratie dat het inzake de inkomstenbelastingen voor de toepassing van de antimisbruikbepaling volstaat dat de laatste rechtshandeling, die deel uitmaakt van een “geheel van rechtshandelingen die een zelfde verrichting tot stand brengt”, in de loop van het aanslagjaar 2013 en volgende gesteld is, opdat artikel 344, §1, (nieuw) WIB’92 toepassing zou kunnen vinden op het geheel van de rechtshandelingen (m.i.v. de rechtshandelingen die vóórdien werden gesteld). Typecasus: de step-up (inbreng aandelen in holding gevolgd door kapitaalvermindering) Dit standpunt van de administratie impliceert bijvoorbeeld dat zij op een rechtshandeling uit de jaren ‘90 in combinatie met rechtshandelingen vanaf aanslagjaar 2013 - te denken valt aan de kapitaalinbrengen in het kader van een step-up die dateert van voor de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling en de daaraan gekoppelde kapitaalvermindering vanaf aanslagjaar 2013 - de nieuwe antimisbruikbepaling zou kunnen loslaten, om de loutere reden dat de laatste rechtshandeling (in de betrokken casus de kapitaalvermindering vanaf aanslagjaar 2013) heeft plaatsgevonden vanaf aanslagjaar 2013. Van in het begin werd dit standpunt van de fiscus sterk bekritiseerd omdat dit vooreerst niet voortvloeit uit de tekst van de wet en bovendien in strijd is met het beginsel van de voorzienbaarheid van de wet. Men kan immers van de burger niet verwachten dat hij bij het stellen van rechtshandelingen in de jaren die aanslagjaar 2013 voorafgaan (bijvoorbeeld de jaren ’90) weet heeft van de latere inwerkingtreding van een nieuwe anti-rechtsmisbruikbepaling, die pas later de door hem in tempore non suspecto gestelde handeling fiscaal kan gaan beïnvloeden. Dit zou neerkomen op een ontoelaatbare retroactieve toepassing van fiscale wetgeving, waardoor de rechtszekerheid in het gedrang komt. Ondanks deze stevige kritiek vanuit de rechtsleer bevestigden reeds enkele rechtbanken van eerste aanleg (Antwerpen, Brugge,..) het standpunt van de fiscus dat het voor de toepassing van de nieuwe antimisbruikbepaling volstaat dat de laatste handeling van het geheel van rechtshandeling plaatsvindt vanaf aanslagjaar 2013 (met een uitzondering voor vennootschappen die anders dan per kalenderjaar boekhouden). Gent, 3 december 2019: geen retroactieve toepassing antimisbruikbepaling Het Hof van Beroep te Gent oordeelt daar nu uitdrukkelijk anders over. In een recent arrest van 3 december 2019 roept het Hof de fiscus halt toe en oordeelt het letterlijk dat de lezing van de administratie dat, indien een geheel van rechtshandelingen wordt geviseerd, enkel de laatste van de rechtshandelingen moet zijn gesteld binnen het temporeel toepassingsgebied van artikel 344 §1 WIB’92, geen steun vindt in de wet. Dit arrest is voor de hangende geschillen met betrekking tot de nieuwe antimisbruikbepaling, dan ook bijzonder relevant, inzonderheid voor de vaak geviseerde step-up constructies, zijnde structuren waarbij er boven de werkvennootschap een holding wordt opgericht door middel van een inbreng in natura van de aandelen van de werkvennootschap(pen) waarbij er vervolgens - gefinancierd met dividenden van de werkvennootschap(pen) - een belastingvrije kapitaalvermindering plaatsvindt in de holdingvennootschap. Indien de kapitaalinbreng zich situeert vóór de temporele inwerkingtreding van de nieuwe antimisbruikbepaling kan de fiscus op basis van deze rechtspraak hier niet langer de antimisbruikbepaling op los laten. Mogelijk wordt dit arrest voorgelegd aan Cassatie,, doch het is alvast zeer positief dat het Hof van Beroep te Gent de visie van de administratie aan diggelen slaat. Belastingplichtigen die worden geconfronteerd met een retroactieve toepassing van de nieuwe antimisbruikbepaling hebben met dit arrest dan ook krachtige munitie om de strijd met de fiscus aan te gaan.

Lees meer!

Meer nieuws?

Wilt u bladeren doorheen onze uitgebreide nieuwsbrieven-collectie? Of wenst u graag onze nieuwsbrief in uw mailbox te ontvangen?

Bekijk alles
Inschrijven nieuwsbrief

Contact

BV Lamote Stragier Advocaten

Engelse wandeling 2K 14V
8500 Kortrijk

E. info@lamotestragier.be
T. +32 (0)56 897 601
F. +32 (0)56 897 602

Ondernemingsnummer
BE0694 796 449
Kantoorrekening
AXA BE84 7512 0917 2759
Kantoorrekening
BNP Paribas BE32 0018 3743 2402
Derdenrekening
AXA BE67 7504 1880 0187

Verzend