Inschrijven nieuwsbrief

Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!

Inschrijven nieuwsbrief

Lamote Stragier Advocaten

Lamote Stragier Advocaten is een nichekantoor gespecialiseerd in het fiscaal recht, het ondernemingsrecht en overnames.

Het team heeft decennia ervaring in high-end dossiers binnen elk van deze domeinen, zowel in advies als in geschillen.

We werken flexibel samen met de ondernemer en al wie hem omringt (kader, boekhouder, accountant, revisor, consultant, bankier en notaris).

De aanpak is dynamisch en steeds geënt op de concrete noden: creatief, hands on, juridisch stevig gedragen en met voeling voor de bedrijfsrealiteit.

Onze advocaten van de fiscaliteit en deze van het ondernemingsrecht vormen tegelijk een one-stop overnameteam dat elke bedrijfsovername van a tot z begeleidt, zowel voor verkopers als voor kopers.

Bekijk onze 3 specialisaties

Team

Stijn Lamote | Lamote Stragier Advocaten

Stijn Lamote

Bekijk profiel

Contacteer
Bram Stragier | Lamote Stragier Advocaten

Bram Stragier

Bekijk profiel

Contacteer
Steve Bonte | Lamote Stragier Advocaten

Steve Bonte

Bekijk profiel

Contacteer
Anne-Sophie Anseeuw | Lamote Stragier Advocaten

Anne-Sophie Anseeuw

Bekijk profiel

Contacteer
Marie Verhelst | Lamote Stragier Advocaten

Marie Verhelst

Bekijk profiel

Contacteer
Eva Deflo | Lamote Stragier Advocaten

Eva Deflo

Bekijk profiel

Contacteer
Maxim Savaete | Lamote Stragier Advocaten

Maxim Savaete

Bekijk profiel

Contacteer
Dieter Beausaert | Lamote Stragier Advocaten

Dieter Beausaert

Bekijk profiel

Contacteer
Gilles Merchiers | Lamote Stragier Advocaten

Gilles Merchiers

Bekijk profiel

Contacteer
Arne Hanssens | Lamote Stragier Advocaten

Arne Hanssens

Bekijk profiel

Contacteer
Valerie Vandemaele | Lamote Stragier Advocaten

Valerie Vandemaele

Bekijk profiel

Contacteer

Nieuwsbrieven

Wij sturen maandelijks een digitale nieuwsbrief uit, waarin we uit de praktijk gegrepen ervaringen delen of relevante wetswijzigingen toelichten.

Wat is trending in fiscale geschillen en fiscaal strafrecht (deel2)

14/11/2019 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

Een fiscale controle leidt doorgaans tot discussies over principes en/of over feiten. De feiten verschillen van dossier tot dossier, zodat de aanpak steeds verschilt. Wat de principes betreft, stellen we als kantoor vast dat dezelfde thema’s vaak terugkeren, en dat de administratie zich nogal principieel opstelt. Met een driedelige reeks lichten we telkens enkele hot topics toe. In dit tweede luik komen aan bod: Liquidatie van vennootschappen Gesplitste aankoop vruchtgebruik – blote eigendom Toepassing artikel 90,9° WIB’92 – behoren meerwaarden op aandelen tot het normaal beheer van het privévermogen? Vragen om inlichtingen in het kader van buitenlandse tegoeden of stafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van buitenlandse tegoedenLiquidatie van vennootschappen Bij liquidatie van vennootschappen wordt vaak vastgoed toebedeeld aan de aandeelhouder. De fiscus kijkt nauwgezet toe of de “uitbrengwaarde” van het vastgoed aan de aandeelhouder onderbouwd - lees voldoende hoog is - is. Indien de uitbrengwaarde te laag is, kan de fiscus bij de geliquideerde vennootschap een bij de uitbreng gerealiseerde ‘minwaarde’ verwerpen of een extra ‘meerwaarde’ belasten. Dit geeft aanleiding tot extra vennootschapsbelasting èn kan zijn impact hebben op de roerende voorheffing op de liquidatiebonus. Stel bv. dat een vastgoed wordt uitgebracht aan 100, terwijl de fiscus kan hardmaken dat het goed 200 waard is. Dan is er - per veronderstelling 34% - bijkomende vennootschapsbelasting op de grondslag 100 verschuldigd, alsook een bijkomende roerende voorheffing op de weerhouden vermogensaangroei bij de vennootschap (zijnde 100 – 34, gerekend tegen een tarief van 30%, ofwel 19,8). In bepaalde gevallen kan er in een akkoord gekozen worden voor de liquidatiereserve aan 10% in plaats van de volle 30%. Een kwalitatief onderbouwd schattingsverslag van het uitgebrachte vastgoed is in ieder geval cruciaal. Gesplitste aankoop vruchtgebruik – blote eigendom Positief nieuws valt er te rapen inzake de betwistingen rond het gesplitst aankopen van vastgoed (blote eigendom door privé persoon – vruchtgebruik door vennootschap) en de daarmee gepaard gaande waarderingsvraagstukken. De strategie van de fiscus is erop gericht om de waarde van het vruchtgebruik hoger te zetten, en de natuurlijke persoon te belasten voor het corresponderende ‘voordeel (van alle aard)’ doordat de naakte eigendom zogezegd te goedkoop verworven werd. Vaak een gepeperde rekening. De administratie vertrekt bij haar huidige berekeningsmethodiek van het standpunt daaromtrent van de rulingcommissie. Deze berekeningswijze is gebaseerd op de netto, niet-geïndexeerde huurwaarde, geactualiseerd tegen het tarief van het netto huurrendement. We stellen vast dat de administratie - op basis van economische motiveringen en negotiatie - steeds vaker afwijkingen toelaat, waardoor belastingplichtige en administratie in de gecontroleerde dossiers naar elkaar toegroeien en deze discussies niet langer moeten escaleren. Deze afwijkingen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op de actualisatievoet en/of indexatie. Toepassing artikel 90,9° WIB’92 – behoren externe meerwaarden op aandelen tot het normaal beheer van het privévermogen? We stellen voorts vast dat de geschillen rond de vraag of iets al dan niet behoort tot het normaal beheer van een privévermogen toenemen. Indien een bepaalde verrichting niet kwalificeert als ‘normaal beheer’, dreigt een taxatie als divers inkomen tegen een tarief van 33%. Indien een bedrijfsleider zijn bedrijf voor een substantieel bedrag verkoopt durft de fiscus de transactie wel al eens nader onder de loep te nemen en gaat de fiscus op zoek naar feiten die in haar visie zouden kunnen wijzen op een abnormaal beheer om zo de meerwaarde alsnog te kunnen belasten als een divers inkomen. En dit zelfs bij de verkoop aan derden… De vermeende ‘abnormale feiten’ waaraan de fiscus aanstoot neemt zijn vaak erg betwistbaar. Op vandaag is er ons geen rechtspraak bekend die de fiscus hierin volgt. Het is in ieder geval wel raadzaam waakzaam te zijn bij de redactie van documenten die de verkooptransactie begeleiden, en daarbij te vermijden dat bepaalde zaken als abnormaliteit zouden kunnen ingekleurd worden. Vragen om inlichtingen in het kader van buitenlandse tegoeden of stafrechtelijke onderzoeken naar aanleiding van buitenlandse tegoeden De info de Belgische overheid ontvangt op basis van de gegevensuitwisseling ingevolge de “Common Reporting Standard” (gegevensuitwisseling waar ondertussen ook heel wat exotische landen aan deelnemen) geeft vaak aanleiding tot vragen om inlichtingen van de fiscus of zelfs, bij grotere bedragen, strafrechtelijke onderzoeken door het parket. Het is een must om het bestaan en de inkomsten van de buitenlandse tegoeden jaarlijks te vermelden in de aangifte in de personenbelasting. Dit blijkt echter niet altijd voldoende. Naar aanleiding van de ontvangen inlichtingen krijgt de overheid vaak een zicht op de hoegrootheid van het achterliggend buitenlands vermogen. En hoe zit het dan met de herkomst van dit kapitaal? Het aanhouden van kapitaal waarop niet alle belastingen zijn betaald, kan in sommige gevallen beschouwd worden als een witwasmisdrijf, waarvoor doorgaans geen enkele verjaring geldt omdat het aanhouden ervan blijft duren … en daardoor beschikt het parket vaak nog over voldoende tentakels om alsnog de belastingen en (stevige) boetes in te vorderen… Anticiperen (begrijp: regulariseren) is in deze de boodschap. Het aantal controles en fiscale geschillen stijgt. Heel wat problematieken komen geregeld terug. Belangrijk is elk geval individueel te evalueren en daarbij de verschilpunten met de typecasussen waarop de administratie/rechtspraak zich baseert te accentueren. Op die manier kan men een aanvaardbaar akkoord en/of een goede rechterlijke uitspraak nastreven. Wij zijn ter beschikking voor overleg, vanaf de eerste fase van de controle, om deze strategie maximaal te bewandelen.

Lees meer!

Wat is trending in fiscale geschillen en fiscaal strafrecht (deel 1)

07/11/2019 - Stijn Lamote, Anne-Sophie Anseeuw

Een fiscale controle leidt doorgaans tot discussies over principes en/of over feiten. De feiten verschillen van dossier tot dossier, zodat de aanpak steeds verschilt. Wat de principes betreft, stellen we als kantoor vast dat dezelfde thema’s vaak terugkeren, en dat de administratie zich nogal principieel opstelt. Met een driedelige reeks lichten we telkens enkele hot topics toe. In dit eerste luik komen aan bod: Aftrek privaat aangewend vastgoed in vennootschappen Aftrek intresten leningen voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen Fiscaal domicilie vennootschappen/natuurlijke personen Terbeschikkingstelling onroerend goed door vennootschap - voordeel alle aard bewoning personenbelasting Aftrek privaat aangewend vastgoed in vennootschappen De aftrek voor kosten van onroerende goederen die privé aangewend worden door bedrijfsleiders, wordt door de rechtspraak aan strengere voorwaarden onderworpen. De administratie pikt hier gretig op in. Indien de kosten van dergelijke onroerende goederen niet in evenwicht zijn met de inkomsten die de vennootschap uit deze onroerende goederen verkrijgt, stelt de administratie de aftrek in vraag. In bepaalde dossiers aanvaardt de rechtspraak èn de administratie evenwel de aftrek wanneer de vennootschap kan aantonen dat de gemaakte kosten kaderen in het toekennen van een verloning. Dit is de toepassing van de zogenaamde bezoldigingstheorie. Om dit argument met succes te kunnen inroepen is het enerzijds aangewezen dat het privégebruik van de woning bij de betrokken bedrijfsleider wordt belast in de personenbelasting als een voordeel alle aard en anderzijds dat deze vorm van verloning wordt genotuleerd door de algemene vergadering, mèt de nodige aandacht voor de marktconformiteit van deze verloning. Dit vergt een afweging van de kost van de verloning tegenover opbrengsten die de prestaties van de bedrijfsleider in de schoot van de vennootschap genereren. Aangezien deze discussies vaak zeer feitelijk zijn, is een goede feitelijke onderbouwing en stoffering van het dossier van in den beginne cruciaal. Alternatief om de aftrek te verzekeren is dat het betrokken (privaat deel van het) vastgoed verhuurd wordt aan de bedrijfsleider, doch dit veronderstelt een correcte huurprijs. Indien noch de bezoldigingstheorie, noch de verhuurtheorie spelen, dan ligt de aftrek van de kosten moeilijker (tenzij men een actuele meerwaarde op het vastgoed kan hardmaken). Dan is het kwestie om via een akkoord dubbele belastingen te vermijden. Indien het vastgoed zich slechts voor het vruchtgebruik in de vennootschap bevindt, dan blijkt de administratie een en ander nog scherper te benaderen, ook al is de principiële discussie uiteindelijk dezelfde. Aftrek intresten leningen voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen De fiscus stelt ook de aftrekbaarheid van intresten van leningen die zijn aangegaan voor dividenduitkeringen of kapitaalverminderingen aan de aandeelhouder in vraag. Indien de vennootschap onvoldoende onderbouwt dat deze leningen werden aangegaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, durft de administratie de aftrek van deze kosten te weigeren. De administratie mag zich evenwel niet uitspreken over de opportuniteit van de toename van vreemd vermogen ten opzichte van de daling van het eigen vermogen. Het komt er bij dergelijke transacties wel op aan de financieringswijze te onderbouwen en dit voldoende te documenteren. Fiscaal domicilie vennootschappen/natuurlijke personen Er zijn meer en meer acties van de fiscus en het parket om het buitenlandse, fiscale domicilie van natuurlijke personen of vennootschappen terug te brengen naar België. Deze acties hebben niet alleen gevolgen in de sociale zekerheid (te denken valt aan de acties in de transportsector die aan bod kwamen in de media). Ze leiden vaak tot grote geschillen in de directe en indirecte belastingen en soms zelf tot strafrechtelijke vervolgingen. Het fiscaal domicilie van een natuurlijke persoon of rechtspersoon is een zeer feitelijk gegeven, zeker in de huidige moderne samenleving waarbij algemene vergaderingen bijvoorbeeld ook via conference call enz. kunnen gehouden worden. Het is dan ook essentieel om in deze dossiers voldoende verantwoordingsstukken te verzamelen die de “realiteit” van een bepaald fiscaal domicilie kunnen aantonen en de “niet-realiteit” van een Belgisch fiscaal domicilie verdedigbaar maken. Terbeschikkingstelling onroerend goed door vennootschap - voordeel alle aard bewoning personenbelasting Het Hof van Beroep te Gent heeft geoordeeld dat de bepaling op grond waarvan het voordeel alle aard bewoning in de personenbelasting hoger moet worden vastgesteld wanneer een onroerend goed door een vennootschap ter beschikking wordt gesteld (toepassing van de coëfficiënt 3,8 (in voege tot met 31 december 2018)) dan wanneer het vastgoed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon, in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het Hof heeft beslist dat het voordeel alle aard in geval van terbeschikkingstelling van een onroerend goed door de vennootschap, gelet op deze schending van het gelijkheidsbeginsel, mag worden geraamd zonder toepassing van de coëfficiënt. Indien de aangifte in de personenbelasting over aanslagjaar 2019 nog niet ingediend werd, is het dus belangrijk om bij de berekening van het voordeel alle aard geen coëfficiënt toe te passen bij een terbeschikkingstelling van een onroerend goed door de vennootschap. Doordat de discriminatie nu pas werd vastgesteld is het goed mogelijk dat er voor reeds gevestigde aanslagen in de personenbelasting een te hoge coëfficiënt werd toegepast. Indien de bezwaartermijn (6 maanden na datum verzending aanslagbiljet) nog loopt en er bezwaar wordt aangetekend zal de administratie in principe akkoord gaan met een ontheffing. Indien de bezwaartermijn evenwel al verstreken is, kan er nog een verzoek tot ambtshalve ontheffing worden ingediend voor alle (eventueel aanvullende) aanslagen die vanaf 1 januari 2015 gevestigd werden. De administratie weigert vooralsnog om deze verzoeken tot ambtshalve ontheffing, bij gebreke aan een vermeend nieuw feit, toe te kennen. De lagere rechtspraak stelt de administratie hier alvast in het ongelijk. Het is dus aan te raden om voor wat betreft het verleden verzoeken tot ambtshalve ontheffing in te dienen en de afwijzingen hiervan vervolgens binnen de drie maanden voor de rechtbank te brengen. Dit kan een mooie belastingbesparing opleveren. Los van wat voorafgaat, is er ook recente rechtspraak die bevestigt dat, als een voordeel voor een natuurlijke persoon in werkelijkheid kleiner is dan het forfaitair bepaalde, dit voordeel fiscaal kan beperkt wordt tot het werkelijk voordeel. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor een voordeel alle aard bewoning met betrekking tot en woning met een hoog KI, waarbij dit aanleiding geeft tot een bedrag aan voordeel alle aard dat hoger is dan de huurwaarde. Het aantal controles en fiscale geschillen stijgt. Heel wat problematieken komen zeer geregeld terug. Belangrijk is elk geval individueel te benaderen en te evalueren en daarbij de verschilpunten met de typecasussen waarop de administratie/rechtspraak zich baseert te accentueren. Op die manier kun je een aanvaardbaar akkoord en/of een goede rechterlijke uitspraak nastreven. Wij zijn ter beschikking voor overleg, vanaf de eerste fase van de controle, om deze strategie maximaal te bewandelen.

Lees meer!

Bestuurder-werknemer: kan dit nog onder het nieuw WVV?

19/09/2019 - Bram Stragier, Maxim Savaete

Het nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (het “WVV”) stelt dat bestuurders hun mandaat enkel onder een zelfstandigenstatuut mogen uitoefenen: […] “Bestuurders kunnen in deze hoedanigheid niet door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap zijn verbonden” […] (eigen onderlijning) Het WVV bevestigt zo dat bestuurders steeds als zelfstandigen moeten handelen en hun mandaat niet als werknemer kunnen uitoefenen. Vanuit sociaalrechtelijk oogpunt is dit niet nieuw. Het sociaal statuut der zelfstandigen voorzag reeds dat een vennootschapsmandataris een zelfstandige activiteit was. Toch nog de beide statuten te combineren? Dit belet niet dat een bestuurder daarnaast nog loontrekkende is in de bestuurde vennootschap. De redenen daarvoor kunnen divers zijn, maar meestal heeft dit te maken met gunstige aspecten van het - opgebouwd - sociaal statuut van werknemers, bv. sociale bescherming, ontslagbescherming, opbouw anciënniteit, enz… Afzonderlijk takenpakket De activiteit van loontrekkende moet dan wel volledig losstaan van de taken als bestuurder in de bestuurde vennootschap. De arbeidsovereenkomst mag met andere woorden geen betrekking hebben op de taken als bestuurder. Het stellen van rechtshandelingen is bij uitstek een bevoegdheid van een bestuurder. Het operationeel beheer van een onderneming zou bijvoorbeeld wél als werknemer kunnen uitgevoerd worden. Dit onderscheid vergt een evenwichtsoefening, maar is mogelijk door de bevoegdheden van de bestuurders af te lijnen in het benoemingsbesluit en de bestuurdersovereenkomst enerzijds, en de functie en het takenpakket van de werknemer goed uit te schrijven in de arbeidsovereenkomst anderzijds. Dit onderscheid dient nadien uiteraard ook in de praktijk strikt te worden nageleefd en bewaakt. … en werkgeversgezag Los van de afgrenzing van de twee onderscheiden takenpakketten, moet er ook aangetoond worden dat de loontrekkende zijn functie uitoefent in een band van ondergeschiktheid, d.w.z. onder het gezag van een orgaan, van een andere bestuurder of van een aangestelde van de vennootschap, met leidende en toezichthoudende bevoegdheid over het werk dat hij uitoefent. In geval er geen werkelijk werkgeversgezag is, kan de werknemersovereenkomst immers door de sociale inspectie (retroactief) geherkwalificeerd worden naar een zelfstandigenstatuut. In essentie mogen de omstandigheden binnen de vennootschap er niet toe leiden dat de betrokkene in zijn hoedanigheid van bestuurder de facto leiding en toezicht houdt over het werk dat hij zelf uitoefent als werknemer. Het aantal leden van de Raad van Bestuur en de stemverhoudingen binnen de vennootschap hebben daarbij hun belang. BesluitMits de vervulling van de hierboven vermelde voorwaarden, en mits de realiteit daaraan beantwoordt, kunnen beide statuten verenigd worden. Aan het behoud van deze combinatie blijkt in de praktijk een nood. Daarbij hanteert men best volgende vuistregels: - voorzien dat de betrokkene als vennootschapsmandataris geen bevoegdheid heeft naar personeelszaken en werkgeversgezag toe (bv. hieromtrent ook niet kan stemmen binnen het bestuursorgaan);- een schriftelijke mandaatovereenkomst en werknemerscontract opstellen, met duidelijk onderscheiden takenpakket;- het aanduiden van één of meer onderscheiden bestuurder(s) die verantwoordelijk is/zijn voor het werkgeversgezag / personeelszaken.

Lees meer!

Aftrekbaarheid van kosten bedrijfswoning & bezoldigingstheorie: de slinger slaat (eindelijk) terug in de juiste richting!

04/04/2019 - Stijn Lamote

De fiscale praktijk wordt al te vaak geconfronteerd met de nefaste gevolgen van (voor belastingplichtigen) recente, negatieve rechtspraak over de aftrekbaarheid van kosten van vastgoed in de vennootschap, wanneer dit vastgoed door de vennootschap als bezoldiging in natura wordt ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder. Die rechtspraak verwijst naar artikel 49 WIB 92 dat stelt dat een kost maar aftrekbaar is als deze wordt gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen. Indien een vennootschap een vastgoed ter beschikking stelt zonder huurinkomen, zo stelt deze rechtspraak, dan is er geen return en kunnen de kosten in verband met dit vastgoed (afschrijvingen, financieringskosten, onderhoudskosten, …) niet in aftrek worden gebracht. Niet correct, stelden de belastingplichtigen: er is wel een return. Het vastgoed wordt immers als bezoldiging ter beschikking gesteld aan de zaakvoerder, in ruil voor zijn prestaties en de daaruit voortvloeiende (voor de vennootschap belastbare) omzet. Net zoals de loonkost verbonden aan iedere bezoldiging, is ook de loonkost met betrekking tot het ter beschikking gestelde vastgoed (voornoemde afschrijvingen, financieringskosten, onderhoudskosten, …) aftrekbaar. Dit is de zogenaamde bezoldigingstheorie. Deze rechtspraak heeft, wat er ook gezegd en geschreven werd, de bezoldigingstheorie nooit afgeschaft. Ze heeft enkel de bewijslast ter zake verzwaard. Waar het vroeger volstond aan te tonen dat de zaakvoerder het voordeel uit de ter beschikkingstelling had aangegeven in de personenbelasting, moet men nu aantonen dat er een band is tussen de kosten van het voordeel enerzijds en de door de zaakvoerder geleverde prestaties en het daaraan gerelateerd inkomen voor de vennootschap anderzijds. En met dat bewijs kan niet al te laks (meer) omgesprongen worden. In de praktijk kwamen daarbij voor de rechtbanken vooral zaken aan bod waarin die bewijslast niet naar behoren kon worden ingevuld, met alle gevolgen van dien. De fiscale administratie interpreteert deze rechtspraak al te vaak en verkeerdelijk als een afschaffing van de bezoldigingstheorie, los van de concrete invulling van de bewijslast. Vanuit bepaalde controlekantoren worden kosten met betrekking tot vastgoed dat als loon in natura wordt ter beschikking gesteld zonder veel discussie verworpen, ook al kan een belastingplichtige aantonen dat het bewijs in het kader van de bezoldigingstheorie wel vervuld is. In een (nochtans negatief) arrest van het Hof van Beroep van Gent (Gent, 10 april 2018) had het Hof al eerder gesteld dat de bezoldigingstheorie niet afgeschaft is, enkel dat de invulling meer zorgvuldigheid vergt. Dit arrest kan de fiscus niet (altijd) overtuigen, omdat zij ten onrechte focust op de einduitspraak in de betrokken zaak en niet op de door het Hof weerhouden, interessante overwegingen. In een zeer recent (voor de belastingplichtigen positief) arrest van hetzelfde Hof (Gent, 19 maart 2019) herhaalt het Hof nu deze principes. De bezoldigingstheorie bestaat nog, mits een correcte invulling van de bewijslast. De betrokken belastingplichtige kon hier wel duidelijk een link maken tussen de kosten (van het voordeel) enerzijds en de door tussenkomst van de zaakvoerder bij de vennootschap gerealiseerde inkomsten en daaraan logisch te koppelen vergoeding anderzijds. Het Hof vernietigt de taxatie waar deze de kosten had verworpen. Het ging om een managementvennootschap, bestuurd door één zaakvoerder die integraal instond voor een (in vergelijking met de kosten) substantiële omzet, en in ruil (als verloning in natura) een vastgoed ter beschikking kreeg. Het Hof bevestigt ook dat de fiscus zich niet mag inlaten met de hoogte van de vergoedingen, nu dit een verboden opportuniteitsbeoordeling is. Onze overtuiging is altijd geweest dat kosten met betrekking tot door een vennootschap aan de zaakvoerder ter beschikking gestelde onroerende goederen aftrekbaar zijn, mits de bewijslast volgens de regels van de (moderne) kunst worden ingevuld. De notulen van de vennootschap die de loonkost van de bezoldiging (met inbegrip van de bezoldiging in natura) beschrijft en evalueert tegenover de prestaties van de zaakvoerder en daaraan gekoppelde de winst(potentie) voor de vennootschap zijn daarbij van doorslaggevend belang. Met deze game changer van het Hof van Beroep van Gent weten we dit andermaal bevestigd. Reden genoeg om zich verder te verzetten tegen de vaak ongenuanceerde standpunten van de fiscus in de praktijk ... Wij staan te uwer beschikking, zowel bij het documenteren van de bezoldigingstheorie bij opstart van het vastgoedproject als bij het verdedigen van de aftrekbaarheid naar aanleiding van fiscale controle en/of betwisting.

Lees meer!

Nieuw Wetboek Vennootschappen: handige toolbox voor overnames

07/02/2019 - Bram Stragier, Steve Bonte

Er werd al uitvoerig gecommuniceerd over de nakende introductie van het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (WVV). Minister Geens bevestigde dat het wetsontwerp in principe nog in februari 2019 in de plenaire vergadering van de Kamer gestemd wordt, samen met de fiscale neutralisatie van het nieuwe recht. 1 mei 2019 blijft dus de vooropgestelde datum van inwerkingtreding. Voor meer details over de gefaseerde inwerkingtreding, verwijzen wij naar onze eerdere nieuwsbrieven ‘Het nieuw wetboek van vennootschappen en verenigingen - uitgesteld naar 1 mei 2019’ en ‘Ontwerp van nieuw wetboek vennootschappen en verenigingen - wat met bestaande vennootschappen?’. Het WVV zet in op vereenvoudiging, verduidelijking en flexibilisering. In deze bijdrage wijzen we op enkele concrete opportuniteiten en aandachtspunten bij overnames. We focussen op de overname van de besloten vennootschap (BV), het nieuwe equivalent van de huidige BVBA en de standaardvennootschap uit het WVV. overnamefinanciering Een van de meest opvallende ingrepen van het WVV is de afschaffing van het kapitaalconcept in de BV. Het begrip ‘vermogen’ vervangt het begrip ‘kapitaal’ en de schuldeiserbescherming wordt georganiseerd door elke vorm van vermogensuitkering aan een balans- en liquiditeitstest te onderwerpen. De nieuwe balanstest sluit feitelijk nauw aan bij de huidige netto-actief test, en dicteert dat geen uitkering mag gebeuren indien het eigen vermogen van de vennootschap negatief is of door de uitkering negatief zou worden. Een besluit van de algemene vergadering tot winstuitkering mag vervolgens slechts uitwerking krijgen indien het bestuursorgaan met de liquiditeitstest vaststelt dat de vennootschap na die uitkering in staat blijft om haar schulden te voldoen over een periode van minstens één jaar. Deze dubbele test is ook van toepassing wanneer men de targetvennootschap een superdividend wil laten uitkeren aan de overnemende vennootschap (met het oog op de betaling van de koopprijs), of wanneer de targetvennootschap financiële bijstand zou willen verlenen aan de overnemer (de zgn. financial assistance). Dit laatste houdt in dat de targetvennootschap – onder bepaalde voorwaarden - aan de overnemende vennootschap een lening of zekerheid toestaat ter financiering van haar eigen overname. De regels rondom financial assistance werden bovendien versoepeld: zo werd de publicatie van het bijzonder verslag (met overnameprijs) afgeschaft, net als de voorwaarde dat de verrichting onder ‘billijke marktvoorwaarden’ moet gebeuren. Ook de strafbepalingen ter zake werden afgeschaft, wat deze techniek ongetwijfeld een boost zal geven. het (meervoudig) stemrecht na overname De regel dat aan alle aandelen gelijke rechten kleven, geldt nog slechts voor zover de statuten er niet van afwijken. Behalve de logische vereiste dat de vennootschap minstens één aandeel met stemrecht moet uitgeven, zijn alle vormen van meervoudig stemrecht mogelijk, en zijn aandelen zonder stemrecht niet meer automatisch preferentieel. Dit schept een waaier aan opportuniteiten: van gedeeltelijke exits in familiebedrijven met overdracht van de controle aan bv. een investeringsfonds, over blokkeringsminderheden die niet proportioneel vertaald worden in het aandelenbezit, tot absolute minderheidsaandeelhouders die de volledige controle hebben/behouden. Dit (laatste) schept ook nieuwe mogelijkheden op het vlak van successieplanning of familiale overdrachten: als ouder kan men de controle behouden met een minderheidsparticipatie, of kan men omgekeerd ‘passief’ de target of de overnemende vennootschap financieren. Deze technieken kunnen certificering overbodig maken. overdrachtsbeperkingen na overname Een andere belangrijke nieuwigheid in de BV is dat de wettelijke overdrachtsbeperkingen niet langer verplicht gelden en men er statutair kan van afwijken. De BV zal, spijts haar naam, niet noodzakelijk nog een ‘besloten vennootschap’ zijn. Dit heeft ook verruimde mogelijkheden naar de inpandgeving van aandelen toe, en dus ook naar financiering. Conventionele overdrachtsbeperkingen moeten niet langer per se het vennootschapsbelang dienen, maar kunnen voortaan ook passen in het (ruimere) belang van één of meerdere vennoten (bv. een ouder in he kader van een familiale overdracht). Temporeel onbeperkte onvervreemdbaarheidsclausules zijn niet langer ongeldig, maar worden opzegbaar met een redelijke opzegtermijn, en overdrachten in strijd met openbaar gemaakte overdrachtsbeperkingen zijn uit de wet niet aan de vennootschap of aan derden tegenstelbaar. bestuur na overname Vandaag is het nog zo dat de totaliteit van de aandelen van de target beter niet door één vennootschap overgenomen worden om te vermijden dat deze ene aandeelhouder aansprakelijk wordt voor alle passiva van de target. Zo ook kan één aandeelhouder niet de enige bestuurder in bv. een NV worden. Dit speelt in overnames al eens (praktisch) parten. Het WVV vereenvoudigt dit verregaand. Voortaan volstaat één aandeelhouder en één bestuurder per vennootschap. De bestuurdersaansprakelijkheid wordt beperkt tot specifieke bedragen, gekoppeld aan de grootte van de vennootschap. De plafonds gaan van 250.000,00 EUR tot 12.000.000,00 EUR (voor alle bestuurders samen). Zo wordt het gemakkelijker om het aansprakelijkheidsrisico van de bestuurders te verzekeren, en de wet laat dit ook expliciet toe. Ook dit heeft zijn belang in een overname, bv. wanneer de overdrager nog een tijdlang als bestuurder aan boord blijft, of wanneer er debat is over de te verlenen kwijtingen. niet volgestorte aandelen Waar er thans nog debat is over de volstortingsplicht bij overdracht van aandelen, installeert het WVV een uniforme en duidelijke regel. Bij overdracht van niet-volgestorte aandelen van een BV of NV zijn zowel de overdrager als de overnemer ten aanzien van de vennootschap en derden hoofdelijk gehouden tot volstorting. Tussen partijen kan de overdrager hiervoor regres uitoefenen op de overnemer (tenzij anders overeengekomen). Praktische tip: volstort de aandelen voor overdracht! Het nieuwe WVV loodst het Belgische vennootschapsrecht binnen in de eenentwintigste eeuw. Voor de M&A praktijk zijn het bijzonder boeiende tijden. Zaken als overnamefinanciering, aandeelhoudersverhoudingen, overdrachtsbeperkingen, bestuur, bestuurdersaansprakelijkheid, enz… krijgen een compleet nieuwe, flexibele invulling en de opportuniteiten zijn legio. Het nieuwe WVV wordt zo een handige toolbox die nog beter toelaat om een bedrijfsovername uit te werken op maat van de overdrager én van de overnemer.

Lees meer!

Ongrondwettelijkheid voordeel alle aard bewoning – Lamote Stragier Advocaten bundelt de procedures

08/01/2019 - Stijn Lamote

Wanneer een vennootschap een woning ter beschikking stelt aan haar bedrijfsleider, dan moet de bedrijfsleider deze ‘bezoldiging in natura’ aangeven in zijn personenbelasting. Dit ‘voordeel van alle aard’ werd tot 2012 forfaitair vastgesteld als het geïndexeerd kadastraal inkomen (KI) van de woning vermenigvuldigd met 2 x 5/3. Vanaf 2012 verhoogde deze multiplicator van 2 naar 3,8. Ondertussen is iedereen – zowel de rechtbanken als de fiscus - het erover eens dat deze upgrade van 2 naar 3,8 ongrondwettelijk is en moet teruggebracht worden naar 1. De aanslagen in de personenbelasting die gevestigd werden op een te hoog forfaitair ‘voordeel alle aard bewoning’, kunnen om die reden rechtgezet/ontheven worden, zelfs tegen de eigen aangifte in. Dit kan: - ofwel via een klassiek bezwaarschrift tegen de betrokken aanslag in de personenbelasting; dit bezwaarschrift moet ingediend worden binnen de 6 maanden na de aanslag; deze bezwaarschriften worden op vandaag stelselmatig ingewilligd door de fiscus; - ofwel via een administratief verzoekschrift ontheffing van ambtswege in de zin van artikel 376 WIB 92; deze verzoekschriften kunnen ingediend worden tot 5 jaar na 1 januari van het jaar waarin de aanslag werd gevestigd. Dit kan met andere woorden voor een veel ruimer tijdsbestek zodat ook aanslagen vanaf aanslagjaar 2013 kunnen rechtgezet worden in het voordeel van de belastingplichtige, uiteraard op voorwaarde dat er tijdig een verzoekschrift werd ingediend. Een dergelijk verzoekschrift kan/kon ingediend worden in geval er sprake is van een materiële vergissing (bv multiplicator 2 in plaats van 3,8) of van een nieuw feit (bv het gewijzigd standpunt van de fiscus); deze verzoekschriften worden op vandaag stelselmatig afgewezen door de fiscus omdat zij van oordeel is dat er geen sprake is van een nieuw feit. Zonder hier in detail op in te gaan, geven we u mee dat een dergelijke afwijzing volgens ons - en volgens andere deskundigen met ons - onwettig is. Als u een dergelijke afwijzing ontving, dient u zich binnen de 3 maanden tot de rechtbank van eerste aanleg te wenden, zo niet wordt deze afwijzende beslissing definitief. Ons kantoor heeft op dit ogenblik al tientallen dossiers voor de rechtbank ingeleid en kan dit ook voor u(w cliënten) verzorgen. Door de ruime expertise en het veelvoud aan dossiers in deze principiële discussie, kan dit tegen een beperkt, forfaitair ereloon. Ook voor (bijstand bij) de administratieve verzoekschriften tot ontheffing van ambtswege of de bezwaarschriften kan u uiteraard bij ons terecht. U kunt hiertoe vrijblijvend contact opnemen met Stijn Lamote (stijn@lamotestragier.be of 056/897.601).

Lees meer!

Btw & opslag – klik opslagovereenkomsten onder het huidige btw-regime vast vóór 2019!

13/12/2018 - Marie Verhelst

Dat de verhuur van na 1 oktober 2018 opgerichte onroerende goederen tussen btw-plichtigen vanaf 1 januari 2019 met btw kan worden belast, is inmiddels welbekend. Een hervorming die uiteraard goed onthaald werd in het ondernemingslandschap, daar de onroerende verhuur met btw toelaat om de betaalde btw op oprichtingskosten van een gebouw in aftrek te nemen. Het principe dat de optie tot btw-heffing slechts kan worden uitgeoefend m.b.t. de verhuur van “nieuwbouw”, zijnde gebouwen waarvoor de btw op de materiële oprichtingswerken ten vroegste opeisbaar werd op 1 oktober 2018, geldt niet voor de verhuur van opslagruimtes. Ook oudere gebouwen (of gedeelten van gebouwen) kunnen vanaf 2019 verhuurd worden met btw indien (dat gedeelte van) het gebouw voor minstens 50% als opslagruimte wordt gebruikt. Huidig regime inzake verhuur opslagruimte In de huidige btw-regeling wordt de verhuur van een opslagruimte verplicht belast met btw. De enge interpretatie die de btw-administratie geeft aan het begrip “opslagruimte” zorgt er evenwel voor dat deze regeling slechts een beperkt toepassingsgebied heeft; het onroerend goed dient volledig bestemd te zijn voor de opslag van goederen waarbij maximum 10% dienst mag doen als kantoorruimte voor personen belast met het beheer van de goederen. In die optiek is het de huurder dus niet toegestaan andere (ondersteunende) diensten (zoals bv. boekhouding) in het gebouw te verrichten of er zijn maatschappelijke zetel te vestigen. De herzieningstermijn m.b.t. de onroerende goederen bedraagt in het huidig BTW opslagregime 15 jaar. Dit betekent dat de in aftrek genomen btw definitief is verworven na 15 jaar als dusdanig btw verhuur. Toekomstig regime inzake verhuur opslagruimte Vanaf 1 januari 2019 wordt voor de toepassing van btw onder een opslagruimte begrepen elk gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor minstens 50% gebruikt wordt voor de opslag van goederen en dat voor maximum 10% als verkoopruimte fungeert (bv. showroom). Deze verruimde definitie zal het toepassingsgebied van de wetgeving aanzienlijk vergroten. Daarnaast staat dat deze verhuur tussen btw-plichtigen (i.e. ook gedeeltelijke, gemengde en vrijgestelde btw-plichtigen) vanaf 2019 optioneel belast zal worden met btw. De verhuurder en de huurder dienen m.a.w. uitdrukkelijk in de huurovereenkomst te opteren voor de btw-heffing. Een ontzettend belangrijk gevolg van het uitoefenen van deze optie is dat de herzieningstermijn m.b.t het gebouw van 15 jaar naar 25 jaar wijzigt, waarbij een herziening jaarlijks moet worden uitgeoefend. Dit betekent dat, in tegenstelling tot het oude BTW opslagregime, de aftrek van btw op bv. de oprichtingskost pas definitief is verworven na 25 jaar, waar dat voorheen 15 jaar was. De concrete modaliteiten omtrent de wijziging van een lopende herzieningstermijn moeten nog nader worden uitgewerkt in KB nr. 3 – doch de uitgangspunten hiervan liggen reeds vast. We lichten de gevolgen van deze verlenging onderstaand in concreto toe. Lopende overeenkomsten inzake verhuur opslagruimte Een lopende huurovereenkomst m.b.t. een opslagruimte die op heden reeds aan btw onderworpen is (omdat de ruimte voor minstens 90% gebruikt worden voor de opslag van goederen) blijft van rechtswege met btw belast tot aan het einde van de overeenkomst. Wanneer de overeenkomst afloopt en partijen deze verlengen of er een nieuwe overeenkomst wordt gesloten, moeten de huurder en verhuurder gezamenlijk opteren voor btw-heffing indien men verder wenst te verhuren met btw, met de (nadelige) wijziging van de herzieningstermijn naar 25 jaar tot gevolg. Bij een latere herziening zou het aantal verlopen jaren voor de uitoefening van de optie evenwel in rekening worden gebracht. Hoe langer u onder het huidig (2018) verplicht btw-regime ressorteert (en de 15-jarige herzieningstermijn dus loopt), hoe voordeliger voor uw btw-aftrek wanneer er in een latere fase een negatieve herziening zou dienen te gebeuren. We illustreren dit aan de hand van onderstaand cijfermatig voorbeeld. VOORBEELD: In 2013 werd een magazijn opgericht voor € 121.000,00 (incl. btw) en voor opslag verhuurd met btw voor een duur van 3 jaar (met de mogelijkheid om tot 5 maal voor dezelfde periode te verlengen). De verhuurder heeft in 2013 aldus € 21.000 btw in aftrek genomen, dewelke onderhevig is aan een herzieningstermijn van 15 jaar. In 2019 wensen partijen de overeenkomst te verlengen; zij hebben daarbij de volgende keuze: - de optie tot btw-heffing niet uitoefenen: de verhuur zal vanaf 2019 vrijgesteld zijn van btw en er vindt in 2019 een negatieve btw-herziening plaats ten belope van € 12.600,00 (9/15) in hoofde van de verhuurder; - de optie tot btw-heffing uitoefenen: er wordt verder verhuurd met btw en de herzieningstermijn wijzigt naar 25 jaar, wat impliceert dat het onroerend goed tot 31 december 2037 moet gebruikt worden voor btw-belaste handelingen wil men de volledige btw aftrek behouden. indien het onroerend goed vanaf 2028 niet langer gebruikt wordt voor btw-doeleinden, zal de negatieve btw-herziening in totaal € 5.040,00 bedragen (zijnde 9/15 van 10/25en); indien de initiële opslagovereenkomst daarentegen meteen 9 jaar duurde en deze in 2022 werd verlengd met uitoefening van de btw-optie, zal een herziening in 2028 in totaal € 3.360,00 kosten (zijnde 6/15 van 10/25en); indien de initiële opslagovereenkomst 15 jaar duurde, loopt het huurcontract af in 2028 en is de btw-aftrek van € 21.000,00 volledig verworven – het goed kan zonder btw verhuurd worden zonder negatieve btw-herziening, en een latere optie tot btw-heffing doet de 25-jarige herzieningstermijn niet opleven; Het bovenstaande illustreert dat op basis van dezelfde feiten, de btw-herziening kleiner wordt naar gelang de duurtijd van uw lopende overeenkomst onder het huidige BTW-opslagregime langer is. Hoe langer u onder het huidig regime van verplichte btw-heffing ressorteert (i.e. tot het einde van uw lopend opslagcontract), hoe later u de optie tot btw-heffing dient uit te oefenen en hoe kleiner het bedrag aan negatieve btw-herziening wanneer zich binnen de 25 jaar na de oorspronkelijke ingebruikname een herziening zou aandienen. Idealiter loopt uw opslagcontract voor 15 jaar, waarbij de btw-aftrek na afloop volledig verworven is. In dat opzicht is het aanbevelenswaardig nu nog voor jaareinde de duurtijd van uw opslagovereenkomst maximaal te verlengen en dit vast te klikken – zeker wanneer het een verhuur betreft tussen verbonden partijen. De registratie van deze opslagovereenkomst kan aan het vast recht van 50 EUR en heeft als voordeel dat u hiermee vaste datum geeft aan uw huurcontract. Nieuwe overeenkomsten inzake verhuur opslagruimte Gebouwen die op heden niet kwalificeerden als opslagruimte maar wel onder dit ruimere begrip ressorteren onder de nieuwe wetgeving (minstens 50% opslag – maximum 10% als verkoopruimte) kunnen, indien de herzieningstermijn van 15 jaar op het moment van de aanvang van de met btw-belaste verhuur nog niet verstreken is, jaarlijks een positieve btw-herziening verrichten m.b.t. de nog voor herziening vatbare btw op dezelfde wijze zoals hierboven geïllustreerd. De keuze voor btw-heffing op de verhuur van uw opslagruimte vanaf 2019 wijzigt de herzieningstermijn van 15 naar 25 jaar. Gebouwen of gedeelten van gebouwen die op heden nog niet belast worden met btw en de optie uitoefenen zullen jaarlijks een positieve herziening kunnen uitoefenen. Verhuurders die op vandaag een opslagruimte verhuren met btw raden we aan, met het oog op de maximale vrijwaring van de afgetrokken btw, vóór het einde van het jaar de duur van hun huurcontract te herbekijken.

Lees meer!

Meer nieuws?

Wilt u bladeren doorheen onze uitgebreide nieuwsbrieven-collectie? Of wenst u graag onze nieuwsbrief in uw mailbox te ontvangen?

Bekijk alles
Inschrijven nieuwsbrief

Contact

Lamote Stragier Advocaten

Engelse wandeling 2K 14V
8500 Kortrijk

E. info@lamotestragier.be
T. +32 (0)56 897 601
F. +32 (0)56 897 602

Ondernemingsnummer
BE0694 796 449
Kantoorrekening
AXA BE84 7512 0917 2759
Kantoorrekening
BNP Paribas BE32 0018 3743 2402
Derdenrekening
AXA BE67 7504 1880 0187

Verzend