Deze website gebruikt verschillende soorten cookies. U kunt meer informatie over het gebruik van cookies vinden in onze cookie policy. U kunt op elk tijdstip de cookie-instellingen aanpassen via uw browser instellingen. Door verder gebruik te maken van deze website, verklaart u zich akkoord met deze cookie policy.

Accepteer

Inschrijven nieuwsbrief

Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!

Inschrijven nieuwsbrief

Nieuwsbrieven

De sleutel tot betaling: het retentierecht op de sleutels bij een verkoop op plan

23/03/2026 - Bram Stragier, Gilles Merchiers

In verkoopovereenkomsten m.b.t. verkopen op plan, staat vaak een clausule dat de sleutels slechts worden overhandigd na integrale betaling van de prijs. De retentie van de sleutels vormt in de praktijk een efficiënt middel om integrale betaling te bekomen. Dit veronderstelt uiteraard wel dat het onroerend goed zich effectief in een opleverbare staat bevindt. Dergelijke clausules moeten zorgvuldig geredigeerd worden en zijn niet vrij van controverse in de rechtsleer. Zo zijn bedingen die een consument verplichten om zijn verbintenissen na te komen, terwijl de onderneming haar verbintenissen nog niet is nagekomen in de regel onrechtmatig (artikel VI. 83,9° WER). In een recent dossier waarin ons kantoor de bouwpromotor bijstond, rees een dergelijk geschil omtrent de sleuteloverhandiging. De koper weigerde om het openstaande saldo te voldoen bij de voorlopige oplevering, onder verwijzing naar een lijst van opleveringspunten. De bouwpromotor hield op zijn beurt de sleutels in, waarop de koper een vordering instelde wegens genotsderving. De koper verwees naar de wet Breyne en stelde dat de gedeeltelijke betalingen nooit hoger mogen zijn dan de prijs van de uitgevoerde werken. De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen - afdeling Kortrijk, oordeelde dat de bouwpromotor zich wel degelijk rechtsgeldig kon beroepen op zijn retentierecht m.b.t. de sleutels en dit ongeacht de toepassing van de Wet Breyne. De rechtbank maakte daarbij ook abstractie van artikel VI. 83, 9° WER. De rechtbank oordeelde verder dat het retentierecht op legitieme wijze kon worden uitgeoefend, aangezien: (i) het goed voorlopig was opgeleverd, wat een normale bewoonbaarheid impliceert, en (ii) het ingehouden saldo niet in verhouding stond t.a.v. de nog openstaande opleveringspunten. Besluit: Het feit dat een verkoop van vastgoed onder het toepassingsgebied van de Wet Breyne valt, verhindert niet dat de bouwpromotor zich op zijn retentierecht m.b.t. de sleutels beroept. Het feit dat een contractuele clausule mogelijks op gespannen voet staat met dwingende regelgeving (in het bijzonder deze rond consumentenbescherming), laat het wettelijke retentierecht in principe onverlet. Het voorgaande neemt niet weg dat men zijn/haar positie maximaal kan veiligstellen door ook de contractuele clausules in overeenstemming te brengen met de dwingende bepalingen inzake consumentenbescherming.

Lees meer!

Fout tegen interne bevoegdheidsverdeling van de fiscus maakt aanslag nietig

09/02/2026 - Stijn Lamote, Manuel Meul

Via een KB van 15 maart 2010 en een besluit van de minister van Financiën van 23 april 2010 wordt de bevoegdheid tot het oprichten van diensten in de schoot van de FOD Financiën en het bepalen van diens materiële en territoriale bevoegdheden gedelegeerd aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën. Daartoe werden onder meer verschillende P centra opgericht, waarbij de materiële en territoriale bevoegdheden van deze centra steeds worden afgebakend in de betrokken besluiten. De fiscus respecteert niet altijd deze interne bevoegdheidsverdeling. Wij kaartten dit recent aan als procedureargument tot vernietiging van de daarop volgende aanslag. De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent besliste in een vonnis van 4 februari 2026 dat de schending van deze bevoegdheidsverdelingen (in deze de verzending van een bericht van wijziging door een territoriaal onbevoegd P centrum) wel degelijk tot de nietigheid van de aanslag leidt. De rechtbank merkt hierbij ook op dat er anders over oordelen in strijd zou met de GDPR-regelgeving, nu de gegevensverwerking door een onbevoegde dienst niet langer eerlijk en rechtmatig kan zijn in de zin van die regelgeving. In het licht van deze rechtspraak is het bijgevolg aangewezen om steeds na te gaan door wie men bij een fiscale controle en diens vervolgstappen wordt aangesproken, en of deze persoon wel tot een (bijv.) territoriaal bevoegde dienst behoort. Meer info bij manuel@lamotestragier.beof stijn@lamotestragier.be

Lees meer!

Belastingverhoging - fiscus aanvaardt retroactieve werking van mildere wet

22/01/2026 - Manuel Meul, Stijn Lamote

In een eerdere editie van onze nieuwsbrief werd bericht over het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 november 2025 waarbij erkend werd dat de nieuwe regels inzake het opleggen van een belastingverhoging bij een eerste overtreding terugwerkende kracht dienen te hebben, zodat zij ook van toepassing zijn op de hangende geschillen. Het geschil dat door ons kantoor werd gevoerd. Concreet voerde de programmawet van 18 juli 2025 een “recht op vergissing” in. Bij een eerste overtreding inzake inkomstenbelastingen wordt niet langer automatisch een belastingverhoging van 10% opgelegd. Er wordt daarentegen vermoed dat de belastingplichtige te goeder trouw is en dat deze belastingverhoging dus achterwege kan blijven. De fiscus kan voor deze eerste overtreding wel nog steeds het bewijs leveren dat er geen sprake kan zijn van goede trouw. Aangezien deze nieuwe regelgeving gunstiger is dan de voorheen geldende regelgeving, waarbij het opleggen van een belastingverhoging van 10% bij een eerste overtreding de regel was en er slechts zeer uitzonderlijk hiervan werd afgezien, dient deze nieuwe regelgeving krachtens het internationaalrechtelijk verankerde beginsel van de retroactieve werking van de mildere strafwet ook toegepast te worden op de hangende geschillen. Dat de programmawet van 18 juli 2025 bepaalde dat de nieuwe regelgeving pas van toepassing is op aanslagen die vanaf 29 juli 2025 ingekohierd werden kan daaraan geen afbreuk doen. Het belang hiervan kan aanzienlijk zijn, nu het opleggen van een belastingverhoging van 10% doorgaans ook tot gevolg heeft dat de rechtzetting van het resultaat die volgt op een fiscale controle niet gecompenseerd kan worden met bijvoorbeeld de overgedragen fiscale verliezen of zelfs verliezen van het boekjaar. Indien de belastingverhoging van 10% komt te vervallen zal echter ook deze minimale belastbare grondslag komen te vervallen. De fiscus liet noteren mogelijk in cassatie te gaan tegen dit arrest. Ondertussen lijkt de fiscus de strijdbijl te hebben begraven. In een aantal casussen die wij behandelen wordt ingestemd met de rechtspraak van het hof van beroep te Gent. In de Kamercommissie Financiën van 13 januari jl. leek de minister nog op twee gedachten te hinken door enerzijds de toepassing van de nieuwe regels op de hangende geschillen te erkennen maar anderzijds toch nog de mogelijkheid van een cassatieberoep open te laten tegen het arrest van het hof van beroep te Gent. De fiscale administratie lijkt alvast de vlucht vooruit te hebben genomen, voorlopig zonder officiële communicatie in die zin. Het loont dus meer dan ooit de moeite om niet alleen de hangende dossiers af te toetsen aan deze nieuwe wending, maar ook om na te gaan of er nog een mogelijkheid is om nog tijdig een geschil op te starten voor nog niet betwiste aanslagen uit het verleden. Meer info op manuel@lamotestragier.be en/of stijn@lamotestragier.be.

Lees meer!

OOK ATTEST AANVRAAG VERSTRENGD VANAF 2026 

08/01/2026 - Stijn Lamote, Arne Hanssens, Thomas Storme

Vanaf 1 januari 2026 kan residentieel vastgoed in actieve familiale vennootschappen niet langer naar de volgende generatie overgedragen worden met toepassing van de gunsttarieven (in rechte lijn 0% bij schenking en 3% bij vererving). Vlabel heeft intussen ook een nieuw aanvraagformulier gepubliceerd om een voorafgaand attest te kunnen aanvragen. Deze aanvraag moet nu sowieso vergezeld zijn van een waarderingsverslag van de aandelen, opgemaakt door een revisor of gecertificeerd accountant, zelfs indien de vennootschap geen residentieel vastgoed bezit. Bezit de vennootschap wel residentieel vastgoed, dan moet de revisor of gecertificeerd accountant de waarde van de aandelen uitsplitsen (tussen de ondernemingswaarde en de waarde van het aanwezig residentieel vastgoed). Het gedeelte van de waarde dat het residentieel vastgoed vertegenwoordigt wordt niet langer gunstig belast. Dit waarderingsverslag zal ook aanwezig moeten zijn bij schenking of vererving. Intussen is er op de website van de Vlaamse Belastingdienst een FAQ verschenen die toelichting geeft over de nieuwigheden en bijkomende formaliteiten. De schenking of vererving van familiale vennootschappen, inclusief de attestaanvraag, heeft voortaan dus heel wat meer voeten in de aarde door het waarderingsverslag. Door de verlengde doorlooptijd bij deze planning is tijdig van start gaan andermaal de kernboodschap.

Lees meer!

breaking : arrest Gent 18/11/2025 bevestigt - nieuwe wet heeft impact op oude belastingverhogingen!

18/11/2025 - Stijn Lamote, Manuel Meul

Niet voor het eerst draagt ons kantoor bij aan markante fiscale rechtspraak. Met de programmawet van 18 juli 2025 werd het wetgevend kader aangepast inzake de inkomstenbelastingen, waardoor er voortaan bij een eerste te goeder trouw begane overtreding wordt afgezien van het opleggen van een belastingverhoging van 10%. De wetgever heeft hierbij een zogenaamd “weerlegbaar vermoeden van goede trouw” ingevoerd in hoofde van de belastingplichtige voor deze eerste overtreding. De fiscus kan in deze situatie slechts overgaan tot het opleggen van een belastingverhoging van 10% wanneer zij het bewijs levert dat de belastingplichtige niet te goeder trouw is. De hiervoor besproken wijzigingen zijn volgens de programmawet van 18 juli 2025 van toepassing op aanslagen ingekohierd vanaf 29 juli 2025. Dit was niet ons standpunt. Met deze datum van inwerkingtreding heeft de wetgever zich ons inziens vergaloppeerd. Belastingverhogingen, ook deze van 10%, zijn immers administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter in de zin het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Uit dit Verdrag wordt het beginsel van de retroactieve werking van mildere strafwet afgeleid, beginsel dat primeert op het Belgische recht. Het nieuwe systeem (afzien van belastingverhoging en vermoeden van goede trouw) moet dan ook gelden bij eerder gevestigde aanslagen die vandaag nog in debat zijn (bezwaar fase of gerechtelijke fase) of kunnen getrokken worden. En dat wordt vandaag in een door ons behartigde zaak bevestigd door het Hof van Beroep van Gent (Gent, 18/11/2025). De gevolgen van de vernietiging van een belastingverhoging van 10% kunnen ver reiken. Veel aanslagen vallen in hun geheel weg als de belastingverhoging wegvalt; als er een belastingverhoging van 10% is kunnen de verliezen van het boekjaar of de overgedragen verliezen en andere tax assets van het verleden immers niet met de rechtzetting gecompenseerd worden. Als de belastingverhoging wegvalt, kan dat wel, waardoor zelfs de volledige aanslag kan wegvallen. We herhalen: review uw fiscale dossiers in betwisting! Meer info: manuel@lamotestragier.be - stijn@lamotestragier.be

Lees meer!

Bedrieglijke organisatie van onvermogen door winsten in vennootschappen te laten

05/11/2025 - Jens Rau, Bram Stragier

Cassatie bevestigt veroordeling voor “bedrieglijke organisatie van onvermogen” via vennootschap(pen). Het Hof van Cassatie heeft op 21 oktober 2025 het cassatieberoep verworpen van een bedrijfsleider die veroordeeld werd wegens de bedrieglijke organisatie van zijn onvermogen via vennootschap(pen). Daarmee bevestigt het Hof dat ondernemers die hun persoonlijke vermogen bewust “onbeschikbaar” maken om schuldeisers te ontwijken, strafbaar handelen. Luxe zonder loon De beklaagde was bestuurder van meerdere winstgevende vennootschappen. Toch keerde hij zichzelf jarenlang nauwelijks loon of dividenden uit. In werkelijkheid woonde hij met zijn gezin in een luxevilla van een van de vennootschappen en reed hij met dure bedrijfswagens (woorden van het Hof). Een vroegere zakenpartner beschikte evenwel over een uitvoerbare schuldvordering van ruim € 600.000, maar kreeg dat bedrag nooit geïnd. Volgens het hof van beroep had de man zijn financiële situatie zo ingericht dat inning “onmogelijk, minstens zeer moeilijk” was. Geen fiscale onschuld De verdediging voerde aan dat zijn vermogen al lang vóór de schuldvordering was gestructureerd, uit fiscale overwegingen en niet om schuldeisers te benadelen. Bovendien, zo luidde het, had de schuldeiser nog beslagmogelijkheden — op loon, aandelen of rekening-couranttegoeden. Cassatie volgde dat betoog niet. Het Hof benadrukte dat de rechter mag kijken naar de werkelijke mogelijkheid tot inning, niet enkel naar wat in theorie kan. Wanneer vermogen doelbewust in vennootschapsstructuren wordt ondergebracht of de bestuurder zichzelf kunstmatig onderbetaalt, is dat een aanwijzing van bedrieglijk opzet. Belangrijk: de schuldeiser hoeft niet eerst beslag te leggen of alle uitvoeringsmogelijkheden uit te putten om het misdrijf te bewijzen. Geen verjaring door voortgezet misdrijf De beklaagde beriep zich ook op verjaring, maar zonder succes. Het Hof beschouwde de herhaalde weigering om zichzelf een marktconform loon of dividend toe te kennen als een voortgezet misdrijf: elke beslissing die de toestand van onvermogen in stand hield, hernieuwde het strafbare feit. Cassatie bevestigt veroordeling Het Hof van Cassatie verwerpt het beroep en bevestigt het arrest van het Gentse hof van beroep. De veroordeling wegens bedrieglijk onvermogen blijft dus overeind. Wat betekent “bedrieglijke organisatie van onvermogen”? Het Strafwetboek viseert de schuldenaar die zijn eigen onvermogen “bewerkstelligt” om aan zijn schuldeisers te ontsnappen. Dat kan door vermogen weg te maken, te verbergen of onbeschikbaar te maken — maar dus ook door de groei van het privévermogen te verhinderen. Met andere woorden: wie via vennootschappen of andere constructies zijn onvermogen veinst, terwijl hij economisch wel controle heeft over geld of activa, kan strafrechtelijk vervolgd worden. Deze piste kan bovendien tot succesvolle recuperatie van schuldvorderingen leiden.

Lees meer!

Gunstregime familiale vennootschappen

10/10/2025 - Thomas Storme, Stijn Lamote

In het kader van de begroting 2026 heeft de Vlaamse Regering een voorontwerp klaar tot wijziging van het gunstregime voor de schenking of vererving van familiebedrijven. Waarover gaat het? Familiebedrijven, uitgebaat als éénmanszaak of via vennootschap, kunnen voordelig worden overgedragen via schenking of erfenis. Bij schenking geldt een vrijstelling van schenkbelasting, bij overlijden geldt een vlak tarief in de erfbelasting van 3% (voor kinderen en/of partner) of 7% (voor alle anderen). Wat verandert er? De Vlaamse Regering kondigt aan om residentieel vastgoed (bestemd voor bewoning) uit te sluiten van het gunstregime. Ook al komen de aandelen van een familiale vennootschap in principe in aanmerking voor het gunstregime, dan zal dat maar meer voor de waarde zijn exclusief het residentieel vastgoed. Wat verandert er niet? Om van het gunstregime te genieten moet het nog steeds om een familiebedrijf gaan met een economische activiteit. Hiermee wordt bedoeld: een nijverheid-, handels-, ambachts- of landbouwbedrijf, dan wel een vrij beroep. Het gunstregime blijft niet van toepassing op pure patrimonium- en managementvennootschappen. De uitsluiting treft enkel residentieel vastgoed. Ander vastgoed (b.v. magazijnen, kantoren) wordt niet uitgesloten, ook niet indien dit niet voor de eigen activiteit wordt gebruikt maar wel verhuurd wordt aan derden. Ook gelbeleggingen of toegestane leningen binnen de vennootschap worden niet uitgesloten. Waarom doet de Vlaamse Regering dit? Reeds in het regeerakkoord kondigde de Vlaamse Regering aan fiscale achterpoortjes te willen sluiten. De Vlaamse Regering doelde daarbij onder meer op het feit dat residentieel vastgoed, dat ze als puur privaat patrimonium beschouwt, mee voordelig kan worden overgedragen indien dit wordt aangehouden door een vennootschap waarbinnen een familiebedrijf is georganiseerd. Door het uitsluiten van residentieel vastgoed rekent de Vlaamse Regering op een meeropbrengst van afgerond 13 miljoen euro voor begrotingsjaar 2026. Hoe wordt residentieel vastgoed concreet uitgesloten? Voor vennootschappen worden alle onroerende goederen die voor bewoning worden aangewend of bestemd uitgesloten. Het gaat zowel om residentieel vastgoed dat rechtstreeks wordt aangehouden door de vennootschap waarvan de aandelen worden geschonken of vererfd, als over residentieel vastgoed aangehouden door dochtervennootschappen indien de participatie daarin minstens 10% bedraagt. Een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant dient in een bijzonder verslag de mate te bepalen waarin de waarde van het uitgesloten residentieel vastgoed wordt gereflecteerd in de waarde van de aandelen. De vraag rijst of daarbij schulden in mindering kunnen worden gebracht. Bij de schenking of vererving van aandelen zal de waarde van de aandelen aldus worden opgesplitst in een kwalificerend en een uitgesloten deel. Op het uitgesloten deel zijn de normale tarieven inzake roerende (en dus niet onroerende!) goederen van toepassing. Op basis van het bijzonder verslag van de bedrijfsrevisor/gecertificeerd accountant, kan bij de Vlaamse Belastingdienst een attest worden verkregen waarin de opsplitsing tussen het kwalificerend en het uitgesloten deel wordt bevestigd. Dergelijk attest blijft geldig voor 60 dagen. Er wordt geen uitzondering voorzien voor woningen die in het kader van de bedrijfsvoering worden aangewend zoals b.v. een conciërgewoning, woningen ter beschikking gesteld of verhuurd aan buitenlands personeel, etc. Er wordt evenmin een uitzondering voorzien voor vennootschappen die professioneel residentieel vastgoed verhuren (b.v. professionele aanbieders van studentenhuisvesting). Vanaf 1 januari 2026 De uitsluiting van residentieel vastgoed is nog geen definitieve wetgeving. Op heden ligt er nog maar een voorontwerp van decreet voor. Aanpassingen zijn nog mogelijk, maar de principiële beslissing lijkt ons te zijn genomen en zal wellicht inwerking treden per 1 januari 2026. Meer dan ooit de moeite om de successieplanning voor einde 2025 onder de loep te nemen, zeker als er residentieel vastgoed in de vennootschapsgroep zit.

Lees meer!

Liquidatiereserves kunnen er twee jaar vroeger uit!

18/09/2025 - Stijn Lamote, Joren Van Poucke

Met de publicatie van de Programmawet van 18 juli 2025 in het Belgisch Staatsblad (29 juli 2025) heeft de wetgever belangrijke wijzigingen doorgevoerd aan het stelsel van de liquidatiereserves.Onder de oude regeling konden vennootschappen (KMO’s) op hun winst na belastingen liquidatiereserves aanleggen mits een bijkomende heffing van 10%. Na een wachttijd van 5 jaar konden deze reserves worden uitgekeerd aan het verlaagde tarief van 5% roerende voorheffing. Bij liquidatie van de vennootschap zijn zij volledig vrijgesteld van roerende voorheffing. In de nieuwe regeling wordt de wachttijd verkort van 5 jaar naar 3 jaar. Daar staat tegenover dat het tarief van de roerende voorheffing bij uitkering na deze wachtperiode van 3 jaar wordt verhoogd van 5% naar 6,5%. Aan de 0% bij liquidatie wordt niets gewijzigd. Deze wijziging is van toepassing voor liquidatiereserves die worden aangelegd vanaf 1 januari 2026. Voor liquidatiereserves die vóór 1 januari 2026 zijn aangelegd, geldt een keuzemogelijkheid: men kan ofwel de oude regeling behouden, ofwel de nieuwe regeling toepassen. Hieronder een overzicht: Liquidatiereserves die worden aangelegd vóór 1 januari 2026 kunnen worden uitgekeerd aan het tarief van: 5% indien ze gedurende minstens 5 jaar worden aangehouden; 6,5% indien ze gedurende minstens 3 jaar worden aangehouden; Dit betekent dat liquidatiereserves die u vandaag al drie jaar hebt aangehouden, per direct kunnen uitgekeerd worden aan 6,5% in plaats van 5%; per € 100.000,00 gaat dit om € 1.500,00 extra belasting. In heel wat gevallen een opportuniteit. De uitkering kan via het dividend op de jaarvergadering of via een tussentijds dividend, los van de datum van de algemene vergadering.

Lees meer!

Regularisatieronde 5.0 – van last call naar call again

15/09/2025 - Tom Bostoen, Stijn Lamote

In navolging van de Programmawet dd. 18 juli 2025 zijn de regularisatielijnen sinds 8 augustus, na ruim anderhalf jaar, opnieuw geopend. Kapitalen en inkomsten waarvan het legaal karakter niet vaststaat (of beter: niet kan bewezen worden) kunnen bij deze terug worden gezuiverd door een fiscale regul 5.0.. In de grond is er weinig gewijzigd ten opzichte van de vorige regeling, naast enkele bijgewerkte formuleringen en de verduidelijking dat grensoverschrijdende btw-fraude met bedragen boven de 10.000.000 EUR uitgesloten wordt, heeft de wetgever enkel de tarieven met 5 procentpunt verhoogd: Met deze herinvoering komt de wetgever tegemoet aan een duidelijk verzoek vanuit de financiële sector. Het gaat hierbij vaak om situaties waarbij (klein)kinderen een nalatenschap erven die blijkt te bestaan uit activa geparkeerd in het buitenland (bankrekeningen, onroerende goederen, goudstukken, …). Belgische banken weigeren (in het kader van hun witwasverplichtingen), behoudens keiharde bewijzen over de oorsprong, steevast om dergelijke kapitalen naar België te repatriëren. En dan zit je vast, vaak onterecht, maar het is de realiteit. op inkomsten die fiscaal nog niet zijn verjaard: u betaalt een heffing tegen het tarief dat van toepassing was op het ogenblik van de inbreuk, verhoogd met 30 procentpunten (bijvoorbeeld inzake btw: 21% + 30% ofwel 51%); op fiscaal verjaarde kapitalen: u betaalt een vlakke heffing van 45% (het verminderd tarief voor situaties te goeder trouw, heeft de finale wetteksten niet gehaald) Als (klein)kind is het voorleggen van die bewijzen veelal een onmogelijke opdracht, waardoor deze kapitalen simpelweg onbruikbaar worden. De nieuwe regularisatieronde biedt in die zin nieuwe opportuniteiten. Praktijkervaringen bij het regulariseren van kapitaal die de bittere pil iets kunnen verlichten: Een goede dossieropbouw en het verzamelen van bewijsstukken is aldus de boodschap. Met onze meer dan 25 jaar ervaring bij fiscale reguls kunnen we u daarin de juiste richting uitsturen. Er mag geregulariseerd worden op de oorspronkelijke waarde van het kapitaal. Stel nu dat u 1 KG goud heeft aangekocht in 1970 maar u niet beschikt over de bewijzen dat de aankoop met legale gelden plaatsvond, dan kunt u regulariseren op basis van de goudwaarde in 1970 (mits u de aankoop kunt situeren in 1970) die een heel pak lager ligt dan op vandaag. Vaak kan het legale karakter van een deel van het kapitaal wel worden aangetoond, eventueel zelfs op basis van een gedetailleerde en onderbouwde indiciaire afrekening. U betaalt de heffing dan uiteraard enkel op het niet-aantoonbare gedeelte. Voor alle duidelijkheid, de mogelijkheid tot regularisaties inzake erfbelasting (Vlaamse materie) is nooit verdwenen en staat tot op vandaag nog steeds open. Meer info: stijn@lamotestragier.be tom@lamotestragier.be

Lees meer!

Kapitaalvermindering en schuldeiserbescherming – een delicaat evenwicht

16/04/2018 - Bram Stragier

Het is intussen zo’n vier jaar geleden dat de wetgever de mogelijkheid van een interne liquidatie invoerde, waarbij belaste reserves - mits een roerende voorheffing van 10% - konden geïncorporeerd worden in het kapitaal, om vervolgens - mits een wachttermijn - belastingvrij uitgekeerd te worden.

Voor ‘grote’ vennootschappen is de wachttermijn acht jaar, voor alle andere vennootschappen vier jaar. Voor het gros van de KMO’s die destijds van de interne liquidatie gebruik gemaakt hebben, is de verplichte wachttermijn van vier jaar rond deze tijd verstreken, zodat de tijd van belastingvrije kapitaalverminderingen aangebroken is.

De recent gewijzigde fiscaliteit rond ‘gewone’ kapitaalverminderingen, maakte bovendien dat tal van vennootschappen op de valreep nog een kapitaalvermindering doorgevoerd hebben. Het thema is dus actueler dan ooit.

Bij eender welke kapitaalvermindering moeten de regels van het vennootschapsrecht nageleefd worden. Zo voorziet het Wetboek van Vennootschappen in een bijzondere schuldeiserbescherming bij elke reële kapitaalvermindering. Het kapitaal vormt immers het onderpand van de schuldeisers van de vennootschap, en bij een kapitaalvermindering zien die dus een deel van hun onderpand verdwijnen.

Vandaar dat de wetgever voorzien heeft dat de schuldeisers een (bijkomende) zekerheid kunnen eisen van de vennootschap-schuldenaar voor de betaling van de schuldvorderingen die ontstaan zijn vóór de bekendmaking van de kapitaalvermindering in het Belgisch Staatsblad, op voorwaarde dat die schuldvorderingen op dat moment nog niet vervallen zijn. Het is geen vereiste dat dat de schuldvorderingen zeker en vaststaand zijn: de schuldeiser wiens vordering ontstaan is vóór de beslissing tot kapitaalvermindering, doch die nog het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijke of arbitrageprocedure, heeft eveneens het recht om een bijkomende zekerheidstelling eisen.

Wachttermijn van 2 maanden!

De schuldeisers hebben vanaf de bekendmaking van de kapitaalvermindering twee maanden de tijd om hun recht op zekerheidstelling uit te oefenen. Gedurende deze wachttermijn van 2 maanden mag de kapitaalvermindering niet uitgevoerd worden. Schending van de dwingende rechtsregels inzake de schuldeiserbescherming brengt de aansprakelijkheid van de bestuurders van de vennootschap in het gedrang. De beschermde partijen (de schuldeisers) kunnen bovendien de nietigheid van de uitvoering van de kapitaalvermindering vorderen en van de aandeelhouders de terugbetaling eisen van de uitgekeerde bedragen.

De schuldeisers die niet tijdig reageren, verliezen het recht om bijkomende garanties te vragen. De uitoefening van het recht is aan geen specifieke vormvereisten onderworpen, al is het aangewezen om de eis tot zekerheidstelling via een gerechtsdeurwaardersexploot of minstens via een aangetekend schrijven te stellen, zodat er nadien geen discussie kan zijn over de datum waarop de vordering werd gesteld.

Indien een schuldeiser tijdig zijn vordering tot zekerheidstelling uitoefent, kunnen partijen onderhandelen over de aard, het bedrag en eventuele andere modaliteiten van de te stellen zekerheid. De vennootschap kan de vordering van de schuldeiser tot bijkomende zekerheidstelling ook afweren door de schuldvordering te betalen tegen haar waarde, na aftrek van een disconto.

Indien de vennootschap en de schuldeiser(s) het niet eens worden over de te stellen zekerheid, en indien de vennootschap ook niet overgaat tot het betalen van de schuldvordering, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel waar de vennootschap haar zetel heeft.

De voorzitter van de rechtbank van koophandel bepaalt de aard (persoonlijk of zakelijk) van de zekerheid die de vennootschap moet stellen, alsook het bedrag van die zekerheid, en hij bepaalt tevens de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. De voorzitter kan ook oordelen dat er geen zekerheid moet gesteld worden omdat de schuldeiser bijvoorbeeld al over voldoende andere waarborgen of voorrechten beschikt, of als de bezorgdheid van de schuldeiser met betrekking tot de solvabiliteit van de vennootschap ongegrond blijkt te zijn.

Zolang de schuldeisers die tijdig hun vordering tot zekerheidstelling hebben gesteld geen voldoening hebben gekregen, of zolang hun aanspraak niet door een rechterlijke beslissing is afgewezen, kan de kapitaalvermindering niet worden uitgevoerd en mag er geen uitkering gedaan worden aan de aandeelhouders. De overtreding van deze regels wordt opnieuw gesanctioneerd met bestuurdersaansprakelijkheid en/of nietigheid van de verrichting.

Dat de schuldeiserbescherming ver kan gaan, illustreert een recent gepubliceerd vonnis van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, weliswaar in een scherpe, feitelijke context.

Een vennootschap was samen met een natuurlijke persoon aandeelhouder in een derde vennootschap. Op een gegeven moment wordt de vennootschap veroordeeld om de aandelen die de natuurlijke persoon aanhield in de derde vennootschap over te nemen. Er werd een deskundige aangesteld om de waarde van de over te nemen aandelen te bepalen, doch de vennootschap werd veroordeeld om, in afwachting van de definitieve begroting van de prijs, een provisie van 75.000,00 EUR te betalen aan de uittredende aandeelhouder.

De vennootschap betaalde de provisionele prijs voor de aandelen. Niet veel later besliste de vennootschap om haar kapitaal te verminderen met 600.000,00 EUR. De uittredende aandeelhouder reageerde binnen de twee maanden na de bekendmaking van de kapitaalvermindering, en eiste een zekerheidstelling van 825.000,00 euro, omdat hij van mening was dat het over te nemen aandelenpakket 900.000,00 euro waard zou zijn. De voorzitter van de rechtbank van koophandel oordeelde dat op basis van een eenzijdig verslag van de bedrijfsrevisor van de schuldeiser dat de gevorderde zekerheid niet onredelijk leek, en kende de gevorderde zekerheid toe. De vennootschap werd veroordeeld om binnen de dertig kalenderdagen een bankwaarborg van 825.000,00 euro over te maken aan de uittredende aandeelhouder, en het werd haar verboden om aan haar aandeelhouders enige uitkering te doen zolang deze bankwaarborg niet werd verstrekt. Het bedrag van de zekerheidstelling (825.000 EUR) was hier dus hoger dan het bedrag van de voorziene kapitaalvermindering (600.000 EUR).

Voor veel kmo’s die destijds gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid tot “interne liquidatie” is de tijd van een mogelijke, belastingvrije kapitaalvermindering aangebroken. Daarbij moeten zij rekening houden met de regels van het vennootschapsrecht, en in het bijzonder met betrekking tot de dwingende regels inzake de schuldeiserbescherming. Schuldeisers kunnen naar aanleiding van de kapitaalvermindering een bijkomende zekerheid vragen voor de betaling van hun niet-opeisbare schuldvorderingen. Geraken partijen er onderling niet uit, dan zal de voorzitter van de Rechtbank van Koophandel de aard en omvang van de zekerheid bepalen, en kan de kapitaalvermindering niet doorgevoerd worden zolang de zekerheid niet gesteld werd.