Deze website gebruikt verschillende soorten cookies. U kunt meer informatie over het gebruik van cookies vinden in onze cookie policy. U kunt op elk tijdstip de cookie-instellingen aanpassen via uw browser instellingen. Door verder gebruik te maken van deze website, verklaart u zich akkoord met deze cookie policy.

Accepteer

Inschrijven nieuwsbrief

Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!

Inschrijven nieuwsbrief

Nieuwsbrieven

Btw & opslag – klik opslagovereenkomsten onder het huidige btw-regime vast vóór 2019!

13/12/2018 -

Dat de verhuur van na 1 oktober 2018 opgerichte onroerende goederen tussen btw-plichtigen vanaf 1 januari 2019 met btw kan worden belast, is inmiddels welbekend. Een hervorming die uiteraard goed onthaald werd in het ondernemingslandschap, daar de onroerende verhuur met btw toelaat om de betaalde btw op oprichtingskosten van een gebouw in aftrek te nemen. Het principe dat de optie tot btw-heffing slechts kan worden uitgeoefend m.b.t. de verhuur van “nieuwbouw”, zijnde gebouwen waarvoor de btw op de materiële oprichtingswerken ten vroegste opeisbaar werd op 1 oktober 2018, geldt niet voor de verhuur van opslagruimtes. Ook oudere gebouwen (of gedeelten van gebouwen) kunnen vanaf 2019 verhuurd worden met btw indien (dat gedeelte van) het gebouw voor minstens 50% als opslagruimte wordt gebruikt. Huidig regime inzake verhuur opslagruimte In de huidige btw-regeling wordt de verhuur van een opslagruimte verplicht belast met btw. De enge interpretatie die de btw-administratie geeft aan het begrip “opslagruimte” zorgt er evenwel voor dat deze regeling slechts een beperkt toepassingsgebied heeft; het onroerend goed dient volledig bestemd te zijn voor de opslag van goederen waarbij maximum 10% dienst mag doen als kantoorruimte voor personen belast met het beheer van de goederen. In die optiek is het de huurder dus niet toegestaan andere (ondersteunende) diensten (zoals bv. boekhouding) in het gebouw te verrichten of er zijn maatschappelijke zetel te vestigen. De herzieningstermijn m.b.t. de onroerende goederen bedraagt in het huidig BTW opslagregime 15 jaar. Dit betekent dat de in aftrek genomen btw definitief is verworven na 15 jaar als dusdanig btw verhuur. Toekomstig regime inzake verhuur opslagruimte Vanaf 1 januari 2019 wordt voor de toepassing van btw onder een opslagruimte begrepen elk gebouw of gedeelte van een gebouw dat voor minstens 50% gebruikt wordt voor de opslag van goederen en dat voor maximum 10% als verkoopruimte fungeert (bv. showroom). Deze verruimde definitie zal het toepassingsgebied van de wetgeving aanzienlijk vergroten. Daarnaast staat dat deze verhuur tussen btw-plichtigen (i.e. ook gedeeltelijke, gemengde en vrijgestelde btw-plichtigen) vanaf 2019 optioneel belast zal worden met btw. De verhuurder en de huurder dienen m.a.w. uitdrukkelijk in de huurovereenkomst te opteren voor de btw-heffing. Een ontzettend belangrijk gevolg van het uitoefenen van deze optie is dat de herzieningstermijn m.b.t het gebouw van 15 jaar naar 25 jaar wijzigt, waarbij een herziening jaarlijks moet worden uitgeoefend. Dit betekent dat, in tegenstelling tot het oude BTW opslagregime, de aftrek van btw op bv. de oprichtingskost pas definitief is verworven na 25 jaar, waar dat voorheen 15 jaar was. De concrete modaliteiten omtrent de wijziging van een lopende herzieningstermijn moeten nog nader worden uitgewerkt in KB nr. 3 – doch de uitgangspunten hiervan liggen reeds vast. We lichten de gevolgen van deze verlenging onderstaand in concreto toe. Lopende overeenkomsten inzake verhuur opslagruimte Een lopende huurovereenkomst m.b.t. een opslagruimte die op heden reeds aan btw onderworpen is (omdat de ruimte voor minstens 90% gebruikt worden voor de opslag van goederen) blijft van rechtswege met btw belast tot aan het einde van de overeenkomst. Wanneer de overeenkomst afloopt en partijen deze verlengen of er een nieuwe overeenkomst wordt gesloten, moeten de huurder en verhuurder gezamenlijk opteren voor btw-heffing indien men verder wenst te verhuren met btw, met de (nadelige) wijziging van de herzieningstermijn naar 25 jaar tot gevolg. Bij een latere herziening zou het aantal verlopen jaren voor de uitoefening van de optie evenwel in rekening worden gebracht. Hoe langer u onder het huidig (2018) verplicht btw-regime ressorteert (en de 15-jarige herzieningstermijn dus loopt), hoe voordeliger voor uw btw-aftrek wanneer er in een latere fase een negatieve herziening zou dienen te gebeuren. We illustreren dit aan de hand van onderstaand cijfermatig voorbeeld. VOORBEELD: In 2013 werd een magazijn opgericht voor € 121.000,00 (incl. btw) en voor opslag verhuurd met btw voor een duur van 3 jaar (met de mogelijkheid om tot 5 maal voor dezelfde periode te verlengen). De verhuurder heeft in 2013 aldus € 21.000 btw in aftrek genomen, dewelke onderhevig is aan een herzieningstermijn van 15 jaar. In 2019 wensen partijen de overeenkomst te verlengen; zij hebben daarbij de volgende keuze: - de optie tot btw-heffing niet uitoefenen: de verhuur zal vanaf 2019 vrijgesteld zijn van btw en er vindt in 2019 een negatieve btw-herziening plaats ten belope van € 12.600,00 (9/15) in hoofde van de verhuurder; - de optie tot btw-heffing uitoefenen: er wordt verder verhuurd met btw en de herzieningstermijn wijzigt naar 25 jaar, wat impliceert dat het onroerend goed tot 31 december 2037 moet gebruikt worden voor btw-belaste handelingen wil men de volledige btw aftrek behouden. indien het onroerend goed vanaf 2028 niet langer gebruikt wordt voor btw-doeleinden, zal de negatieve btw-herziening in totaal € 5.040,00 bedragen (zijnde 9/15 van 10/25en); indien de initiële opslagovereenkomst daarentegen meteen 9 jaar duurde en deze in 2022 werd verlengd met uitoefening van de btw-optie, zal een herziening in 2028 in totaal € 3.360,00 kosten (zijnde 6/15 van 10/25en); indien de initiële opslagovereenkomst 15 jaar duurde, loopt het huurcontract af in 2028 en is de btw-aftrek van € 21.000,00 volledig verworven – het goed kan zonder btw verhuurd worden zonder negatieve btw-herziening, en een latere optie tot btw-heffing doet de 25-jarige herzieningstermijn niet opleven; Het bovenstaande illustreert dat op basis van dezelfde feiten, de btw-herziening kleiner wordt naar gelang de duurtijd van uw lopende overeenkomst onder het huidige BTW-opslagregime langer is. Hoe langer u onder het huidig regime van verplichte btw-heffing ressorteert (i.e. tot het einde van uw lopend opslagcontract), hoe later u de optie tot btw-heffing dient uit te oefenen en hoe kleiner het bedrag aan negatieve btw-herziening wanneer zich binnen de 25 jaar na de oorspronkelijke ingebruikname een herziening zou aandienen. Idealiter loopt uw opslagcontract voor 15 jaar, waarbij de btw-aftrek na afloop volledig verworven is. In dat opzicht is het aanbevelenswaardig nu nog voor jaareinde de duurtijd van uw opslagovereenkomst maximaal te verlengen en dit vast te klikken – zeker wanneer het een verhuur betreft tussen verbonden partijen. De registratie van deze opslagovereenkomst kan aan het vast recht van 50 EUR en heeft als voordeel dat u hiermee vaste datum geeft aan uw huurcontract. Nieuwe overeenkomsten inzake verhuur opslagruimte Gebouwen die op heden niet kwalificeerden als opslagruimte maar wel onder dit ruimere begrip ressorteren onder de nieuwe wetgeving (minstens 50% opslag – maximum 10% als verkoopruimte) kunnen, indien de herzieningstermijn van 15 jaar op het moment van de aanvang van de met btw-belaste verhuur nog niet verstreken is, jaarlijks een positieve btw-herziening verrichten m.b.t. de nog voor herziening vatbare btw op dezelfde wijze zoals hierboven geïllustreerd. De keuze voor btw-heffing op de verhuur van uw opslagruimte vanaf 2019 wijzigt de herzieningstermijn van 15 naar 25 jaar. Gebouwen of gedeelten van gebouwen die op heden nog niet belast worden met btw en de optie uitoefenen zullen jaarlijks een positieve herziening kunnen uitoefenen. Verhuurders die op vandaag een opslagruimte verhuren met btw raden we aan, met het oog op de maximale vrijwaring van de afgetrokken btw, vóór het einde van het jaar de duur van hun huurcontract te herbekijken.

Lees meer!

De aansprakelijkheid van de aannemer, meteen ook deze van de architect? Hof Brussel zet de principes

30/11/2018 - Bram Stragier, Eva Deflo

Eenieder die al gebouwd of gerenoveerd heeft, weet dat er altijd wel iets kan foutlopen. Meestal is dit zonder veel erg en zet de betrokkene het euvel spontaan recht. Het bouwbedrijf is nu eenmaal geen exacte wetenschap en verschillende actoren moeten samenwerken om tot een goed resultaat te komen (de aannemers, de architect, het studiebureau, de veiligheidscoördinator, enz.). Wanneer de gebreken pas na langere tijd verschijnen, gooit het tijdsverloop al eens roet in het eten. De betrokken partijen wijzen naar elkaar en soms is de schuldige intussen failliet of bestaat deze niet meer. Het spreekt voor zich dat een aannemer die een fout begaat of een gebrekkig product levert, daarvoor aansprakelijk is. Maar kan de schade ook verhaald worden op de architect, die toch geacht wordt de werf op te volgen? Met een recent arrest brengt het Hof van Beroep te Brussel de principes in herinnering en lijnt zij de aansprakelijkheid van de architect en deze van de aannemer af. Controle door de architect De architect dient uiteraard de plannen en ontwerpen op te maken en is daarvoor verantwoordelijk. De wetgever heeft daarnaast de controle over de uitvoering van aannemingswerken toevertrouwd aan de architect. De architect moet verifiëren of de uitgevoerde werken overeenstemmen met de aannemingsovereenkomst, de plannen, de bestekken en de regels van een goed vakmanschap. Hij moet optreden wanneer hij problemen vaststelt. Deze verantwoordelijkheid vereist dat de architect de werf regelmatig bezoekt en aanwezig is wanneer er belangrijke, moeilijke of gevaarlijke aannemingswerken uitgevoerd worden. De bouwheer mag evenwel geen constant toezicht verwachten. Door frequente werfbezoeken wordt de architect wel geacht om tekortkomingen en fouten op te merken en deze tijdig te laten remediëren. Het Hof bevestigde dat het hier louter gaat om een inspanningsverbintenis en dat de architect niet borg staat voor de goede uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Zeer concreet was er in het geval voor het Hof van Beroep van Brussel een probleem met een tegelvloer, waar de aannemer onder meer geen uitzettingsvoeg had voorzien, waardoor de vloer opstak en barstte. Het Hof oordeelde dat het plaatsen van tegels moet gekwalificeerd worden als een eenvoudig werk, waarbij de architect geen bijzonder toezicht moet uitoefenen. Het gaat niet om een belangrijk, moeilijk of gevaarlijk werk en heeft evenmin betrekking op een cruciale fase in het bouwproces. Het Hof veroordeelde enkel de aannemer en legde geen aansprakelijkheid bij de architect. Wanneer is de architect aansprakelijk voor fouten van de aannemer? Om ook de architect te kunnen aanspreken voor uitvoeringsfouten van een aannemer, is er een tekortkoming aan de controleplicht van de architect vereist. Een samenlopende fout van de aannemer (uitvoeringsfout) en de architect (miskenning van de controleplicht) leidt tot een gezamenlijke aansprakelijkheid t.a.v. de opdrachtgever. In zo’n geval kan de opdrachtgever zowel de aannemer als de architect aanspreken voor de volledige schade, waarna diegene die betaald heeft de andere partij kan aanspreken voor wat er door hem betaald werd boven zijn persoonlijk aandeel. Het Hof van Cassatie oordeelde eerder al dat de gezamenlijke aansprakelijkheid contractueel niet kan beperkt worden tot bv. elk zijn deel indien het gaat om ernstige gebreken die de stabiliteit bedreigen. De omvang van de controleverplichting van de architect moet geval per geval beoordeeld worden, rekening houdend met het soort aannemingswerk, de hoedanigheid van de opdrachtgever, de aannemer en de architect. De opdrachtgever die de architect wil aanspreken zal moeten aantonen dat (i) ofwel de architect niet op regelmatige basis aanwezig was op de werf, (ii) ofwel tijdens de bezoeken aan de werf de uitvoeringsfout van de aannemer had moeten ontdekken, (iii) ofwel ten onrechte afwezig was bij de uitvoering van een belangrijk, moeilijk of gevaarlijk aannemingswerk. De werfverslagen zijn hiervoor belangrijke stukken. Omgekeerd kan de architect het risico op aansprakelijkheidsvorderingen beperken door (evident) zijn controleverplichtingen na te leven, en elke controleverrichting te documenteren in verslagen. De architect kan samen met de aannemer aansprakelijk gesteld worden voor uitvoeringsfouten van de aannemer, mits hij tekort geschoten is in zijn wettelijke controleplicht. Dit moet geval per geval beoordeeld worden. Voor eenvoudige, routineuze aannemingswerken wordt van de architect niet verwacht dat hij de aannemer constant op de vingers kijkt. Hoe belangrijker, complexer of ongewoner het aannemingswerk, hoe sterker de controleverplichting van de architect en hoe groter diens aansprakelijkheid.

Lees meer!

Het nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

30/11/2018 - Bram Stragier

We stonden eerder al stil bij de krijtlijnen en timing van het nieuw ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (zie artikel ‘Ontwerp van nieuw wetboek vennootschappen en verenigingen - wat met bestaande vennootschappen?) Het wetsontwerp zet in op een vereenvoudiging en versoepeling van de bestaande wetgeving. De vennootschapstypes worden beperkt tot de NV, de BV, de CV, de maatschap, de VOF, de Comm. V, de SE en de SCE. De BV wordt de gangbare vorm voor kleine en middelgrote ondernemingen; om dit te realiseren wordt de kapitaalvereiste afgeschaft. In de NV, die opnieuw de vorm wordt voor grote en genoteerde ondernemingen, blijven de kapitaalsvereisten bestaan maar bestaat de versoepeling onder meer in de mogelijkheid van éénhoofdig bestuur. Bovendien zullen de BV en de NV opgericht kunnen worden door één persoon en volstaat één aandeelhouder. Het meervoudig stemrecht wordt voor alle rechtspersonen ingevoerd (voor genoteerde vennootschappen beperkt tot dubbel stemrecht). Verenigingen zullen winstgevende activiteiten mogen voeren (weliswaar met een uitkeringsverbod) en de werkelijke zetelleer wordt vervangen door de statutaire zetelleer. De Raad van State leverde op 13 september ll. een advies af over het ontwerp en de eerder ingediende amendementen. Al snel werd er geroepen dat dit advies ‘vernietigend’ zou zijn en dat het ganse ontwerp op losse schroeven zou komen te staan. Een kritische analyse van het advies spreekt dit tegen. Intussen werden verschillende amendementen ingediend en de bevoegde commissie van de Kamer keurde op 14 november 2018 zelfs al een eerste versie van wettekst goed. Algemene opmerkingen De opmerkingen van de Raad van State kunnen als volgt samengevat worden: Het belang van coherentie: het gaat om taalkundige, grammaticale en technische verbeteringen. De wens om de Europese Richtlijn 2017/828 inzake de bevordering van de betrokkenheid van de aandeelhouders te integreren in het ontwerp. Deze richtlijn moet omgezet worden uiterlijk op 10 juni 2019 en de Raad van State vindt het aangewezen om deze richtlijn nu reeds te integreren in het wetsontwerp. De verfijning van de werking in de tijd: de Raad van State merkt op dat de voorgestelde overgangsregeling niet altijd een antwoord biedt voor situaties die ‘te paard’ zitten op de nieuwe regelgeving (bv. waar een gebeurtenis gedeeltelijk plaatsvindt voor de datum van inwerkingtreding en gedeeltelijk erna). Impact op de timing De Kamer is onmiddellijk met het advies aan de slag gegaan en werkt het wetsontwerp bij. Het gaat grotendeels om ‘cosmetische’ of inhoudelijk beperkte aanpassingen en verduidelijkingen. Het blijft de ambitie om het bijgeschaafde ontwerp nog dit jaar door de plenaire vergadering te laten goedkeuren. De inwerkingtreding was voorzien op 1 januari 2019, maar in de commissie werd deze datum verdaagd tot 1 mei 2019. De verantwoording luidt: “teneinde de verschillende actoren betrokken bij vennootschappen, verenigingen en stichtingen in staat te stellen om een beter begrip te krijgen van deze hervorming in al haar facetten, wordt de inwerkingtreding verschoven naar latere datum”. Dit betekent dat de nieuwe wet pas op 1 mei 2019 van toepassing wordt op nieuwe vennootschappen en dat bestaande vennootschappen zich pas vanaf dan vrijwillig aan de nieuwe wet kunnen onderwerpen (zgn. “opt-in”). De nieuwe, veel soepelere bepalingen inzake de geschillenregeling gaan vanaf 1 mei 2019 in voor alle vennootschappen (nieuwe en bestaande). De overige ‘scharnierdata’ blijven onveranderd: 1 januari 2020: inwerkingtreding van de wet voor bestaande vennootschappen en het voorschrift om de statuten bij eerstvolgende statutenwijziging te aligneren op de nieuwe wet (dwingende bepalingen worden vanaf dan van toepassing spijts het anders in de statuten staat); 1 januari 2024: uiterste datum aanpassing statuten van bestaande vennootschappen. We merken dat een aantal aanpassingen genre eenhoofdig bestuur, eenhoofdig aandeelhouderschap en meervoudig stemrecht zeer enthousiast onthaald worden. Dit zijn zgn. ‘aanvullende bepalingen’ die voor bestaande vennootschappen in werking treden op 1 januari 2020, tenzij de statuten dit anders zouden voorzien (wat vaak het geval blijkt te zijn). Tijdig de statuten screenen en desgevallend kiezen voor de vervroegde toepassing van de nieuwe wet (“opt-in”) is de boodschap. Het wetgevend werk om tot een coherent nieuw wetboek te komen, gaat gestaag verder. Inhoudelijk vallen weinig schokkende wijzigingen te verwachten. De inwerkingtreding van de nieuwe wet wordt uitgesteld tot 1 mei 2019, maar vermoedelijk zal dit jaar nog definitieve versie van de wet gestemd worden.

Lees meer!

Het nieuwe bewijsrecht – modern en soepel

15/11/2018 - Bram Stragier

Op 31 oktober ll. diende de regering een wetsontwerp in om het bewijsrecht te codificeren, te moderniseren en te versoepelen. Tegelijk ambieert het ontwerp de redelijkheid en billijkheid in het bewijsrecht binnen te loodsen. Codificeren Het huidige bewijsrecht zit verdeeld over een aantal wetten en kreeg vorm door rechtsleer en rechtspraak. Van oudsher was er het onderscheid tussen het ‘vrije’ bewijs in handelszaken en het bewijs in burgerlijke zaken, dat meer gereglementeerd was. Het nieuwe bewijsrecht bundelt deze bronnen in één boek (boek 8 van het nieuw Burgerlijk Wetboek). Het omvat zowel de bewijsregels in burgerlijke zaken als deze voor ondernemingen en verankert een aantal aanvaarde beginselen uit de rechtspraak. Moderniseren Met dit wetsontwerp wordt het bewijsrecht – eindelijk – de 21e eeuw binnengeloodst. Men houdt rekening met het feit dat veel transacties online gebeuren, en dat daarvoor niet telkens een geschreven contract wordt opgemaakt. Een ‘geschrift’ kan voortaan ook digitaal zijn en de mogelijkheid van een elektronische handtekening wordt beter gealigneerd op de Europese regelgeving. Er zijn drie types van elektronische handtekening, met gradaties in beveiligingsniveau. Versoepelen Het bewijs wordt vrij voor alle verrichtingen waarmee een bedrag gemoeid is van minder dan 3.500,00 EUR. Thans is dit nog 375,00 EUR. Dat het bewijs ‘vrij’ wordt gemaakt voor transacties tot 3.500,00 EUR betekent dat ook particulieren geen geschreven contract meer nodig hebben om een dergelijke overeenkomst te bewijzen, maar dat zij ook kunnen terugvallen op mails, sms’en, getuigen, vermoedens, e.d.m.. Dit sluit beter aan bij onder meer de e-commerce. Voor handelaars gold er al altijd vrijheid van bewijsvoering, en dit zonder plafondbedrag. Het begrip ‘handelaar’ werd met ingang van 1 november 2018 al vervangen door de generieke term ‘onderneming’, waarin ook vrije beroepen, landbouwers en vzw’s begrepen zijn. De nieuwe wet bevestigt dat het vrije bewijsregime geldt voor alle ondernemingen en verduidelijkt één en ander. De bijzondere, wettelijke bewijswaarde die kleeft aan een niet-betwiste verkoopfactuur, wordt van toepassing op alle facturen die niet (tijdig) door de onderneming betwist werden, en dit ongeacht de achterliggende prestatie (aanneming, vervoer, diensten, andere). Redelijkheid en billijkheid Deze begrippen worden in het moderne recht steeds prominenter en dit is voor het bewijs niet anders. Het wetsontwerp wil oplossingen bieden voor een aantal knelpunten / patstellingen in het huidige bewijsrecht, zoals het bewijs van negatieve feiten, de quasi-onmogelijkheid om bepaalde positieve feiten te bewijzen (bv. een diefstal t.a.v. een verzekeraar), of het kennelijke onevenwicht in de bewijsgeschiktheid (bv. het leveren van een bewijs is buitensporig zwaar of duur voor één partij). Zo doet de term ‘bewijs door waarschijnlijkheid’ zijn intrede. Het principe blijft dat het bewijs moet ‘zeker’ zijn, maar het wetsontwerp biedt de mogelijkheid om deze strenge bewijsstandaard te verlichten. Verder kan de rechter in buitengewone omstandigheden en als ‘ultieme remedie’ nu zelfs de bewijslast omkeren. Dit zou bijvoorbeeld kunnen wanneer het doorslaggevend bewijs dat één partij in handen had (bv. een betalingsbewijs), door het tijdsverloop verdwenen is, waardoor de andere partij dit feit onmogelijk nog kan bewijzen. Het wetsontwerp van 31 oktober 2018 installeert een eigentijds en soepel bewijsregime en incorporeert tendensen uit de rechtspraak. Het ontwerp biedt het hoofd aan een aantal knelpunten uit de rechtspraktijk die als onredelijk ervaren werden. Het is meer dan ooit aangewezen om alle elementen van een transactie te bewaren, zowel de papieren stukken als alle digitale stukken (e-mails, sms’en, WhatsApp-berichten, enz.). De geplande wetswijziging verbetert in het merendeel van de gevallen de rechtspositie van de eisende partij in een procedure en reduceert de obstakels. We kunnen dit als ondernemingsadvocaten enkel toejuichen. De inwerkingtreding van het wetsontwerp is voorzien 18 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Hopelijk wordt het ontwerp op korte termijn door de Kamer goedgekeurd, waarna het gepubliceerd en – 18 maanden later – toegepast kan worden.

Lees meer!

Belastingvrije terugbetaling van kapitaal gevormd door inbreng van aandelen

15/11/2018 - Stijn Lamote

In onze nieuwsbrief van 15 juni 2018 berichtten we u al over eerste negatieve rechtspraak over belasting op kapitaalverminderingen, toen van de rechtbank van eerste aanleg (belasting op kapitaalverminderingen die plaatsvonden voor 1/1/2018 – een zeer moeilijke oefening voor de fiscus). De kritiek op dit vonnis, toen van de rechtbank van eerste aanleg West Vlaanderen, bleef niet uit. Op vandaag worden we geconfronteerd met een tweede vonnis in deze materie, ditmaal van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (Rb. Antwerpen, 29 oktober 2018). Andermaal negatief. Tijd voor een stand van zaken. Wat is de context? Sinds eind de jaren ’90 tot eind 2016 was het courant dat bedrijfsleiders de aandelen van hun werkvennootschappen inbrachten in een eigen holding. De waarde van de ingebrachte aandelen van de werkvennootschappen vormde bij de holding fiscaal gestort kapitaal; en fiscaal gestort kapitaal kan vervolgens vroeg of laat belastingvrij aan de aandeelhouder terugbetaald worden. De fiscus was altijd al gefrustreerd over dit scenario. Immers, had de aandeelhouder de werkvennootschap laten groeien en zich dividenden laten uitkeren, dan kon de fiscus een graantje meepikken via de roerende voorheffing op deze dividenden (tarief door de jaren heen geëvolueerd tot 30%). Indien de aandelen van de werkvennootschappen daarentegen in een holding werden ingebracht, dan is er bij de dividenduitkering (tussen vennootschappen) geen belasting. Daarenboven, indien de aandeelhouder diezelfde winsten finaal uit de holding wil incasseren, dan doet hij dit niet via een dividenduitkering uit de holding (met roerende voorheffing), maar wel door een vermindering van het fiscaal gestort kapitaal in de holding (belastingvrij). In de periode 2000 tot en met 2012 was de aanvalsroute van de fiscus op dergelijke structuuruitbouw hoofdzakelijk de belasting als divers inkomen op meerwaarde naar aanleiding van de inbreng van de aandelen. Met de invoering van de vernieuwde antimisbruikbepaling (artikel 344 §1 WIB 92 nieuw) gooide de fiscus het over een andere boeg. De antimisbruikbepaling, ingevoerd bij wet van maart 2012, laat de fiscus onder bepaalde voorwaarden toe om een structuur, die met een doorslaggevend fiscaal motief is opgezet, naast zich neer te leggen. Dat fiscaal motief moet erin bestaan om een bepaalde heffing te omzeilen in strijd met het doel en de strekking van de fiscale wet. De fiscus zag brood in deze nieuwe antimisbruikbepaling om voornoemde structuuruitbouw aan te vallen, dan niet zozeer naar aanleiding van de inbreng in de holding, wel bij de kapitaalvermindering. Haar idee was dat in bepaalde gevallen de holding “enkel” was opgericht om de dividendbelasting te vermijden zoals hierboven omschreven. De fiscus hield dan voor dat in deze gevallen abstractie kon worden gemaakt van de holdingstructuur en dat de dividenduitkering uit de werkvennootschap geacht werden rechtstreeks aan de natuurlijke persoon te zijn uitgekeerd, waardoor er wel roerende voorheffing verschuldigd is (de vrijstelling roerende voorheffing speelt enkel voor dividenduitkeringen tussen vennootschappen, niet bij dividenduitkeringen aan natuurlijke personen). Hoe kan men zich verdedigen tegen de stelling van de fiscus dat de holding “enkel” is opgericht om dividendbelasting te vermijden? 1. In bepaalde gevallen worden de kapitaalverminderingen gefinancierd met excess cash en reserves die zijn opgebouwd na de oprichting van de holding en blijven de reserves die er waren op het ogenblik van inbreng in de holding onaangeroerd. In dergelijk geval kan de antimisbruikbepaling uiteraard niet spelen. Op het ogenblik van inbreng kan er dan immers geen intentie geweest zijn om dividendbelasting te ontwijken aangezien de uiteindelijk uitgekeerde winsten er nog niet waren bij inbreng; de rulingpraktijk volgt ons in deze analyse (oa. ruling 2017.815 dd. 12/12/2017). 2. Ook het woord “enkel” is in deze van bijzonder belang. Indien de holding (naast met oog op het vermijden van de dividendbelasting) ook een andere toegevoegde waarde heeft gehad is de antimisbruikbepaling evenmin van toepassing. In de gevallen waarin de holding (concreet) heeft gediend voor bv. het faciliteren van een familiale planning, een herstructureren van bestanddelen binnen de vennootschapsgroep (bv onttrekken van activa aan het bedrijfsrisico van de exploitatievennootschap), het financieren van een overname, … kan de antimisbruikbepaling niet spelen. Als er niet-fiscale toegevoegde waarde is (tenzij deze zeer marginaal is), kan nooit gesteld worden dat de holding enkel om fiscale redenen is opgezet. In voorkomend geval is het belangrijk de niet-fiscale toegevoegde waarde van de holding en cours de route te documenteren. Gelijk hebben is één iets, enkel gelijk krijgen is immers van tel! Vooraleer over te gaan tot een kapitaalvermindering is het in die zin van belang om (1) na te gaan of de holding al een voldoende niet-fiscale toegevoegde waarde heeft gerealiseerd (en als dit niet het geval is hieraan alsnog te remediëren) en (2) na te gaan of een ander voldoende gedocumenteerd is, anticiperend op een eventuele betwisting hieromtrent. 3. Los van deze twee verdedigingsstrategieën is er vaak ook nog een technisch “airbag” om de fiscus een halt toe te roepen in zoverre de holding wel degelijk een uitsluitend fiscale ingeving was én in zoverre de holding is opgericht vóór aanslagjaar 2013. De fiscus beroept zich immers op de vernieuwde antimisbruikbepaling die pas in werking is getreden in het aanslagjaar 2013. In de rechtsleer wordt er zeer terecht vanuit gegaan dat dit veronderstelt dat – in geval van éénheid van opzet bij fiscaal misbruik - alle constitutieve bestanddelen van het fiscaal misbruik in deze, m.a.w. zowel de vorming van kapitaal door inbreng van aandelen als de kapitaalvermindering zelf, moeten dateren van na de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling in aanslagjaar 2013. De fiscus ziet dit anders, en stelt dat het voldoende is dat één van de handelingen (in deze de kapitaalvermindering) van na de inwerkingtreding dateert. De rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen volgt - in een casus waarbij de niet fiscale motieven voor het opzetten van een holding klaarblijkelijk niet relevant aanwezig waren - verrassend dit standpunt, zonder de fundamenten van haar analyse kenbaar te maken … Dit vonnis stoot de rechtsleer opnieuw tegen de borst, niet in het minst omdat – naast het gebrek aan technische onderbouw – dit standpunt afbreuk doet aan het door het Grondwettelijk Hof erkend beginsel dat iedere belastingplichtige met een minimaal niveau van voorzienbaarheid het belastingstelsel moet kunnen bepalen dat op hem zal worden toegepast. Als men in 2003 een holding opzet, en men voert in 2012 een antimisbruikbepaling in, dan kan deze antimisbruikbepaling in die zin nooit retroactief effect hebben op deze inbreng … wordt ongetwijfeld vervolgd voor de Hoven van Beroep. Kapitaalverminderingen zijn door hun (in bepaalde gevallen gedeeltelijk) fiscaal vrij karakter een curiosum geworden in ons huidig fiscaal landschap. De fiscus doet er alles aan om alsnog een graantje mee te pikken. Een kapitaalvermindering op automatische piloot doorvoeren valt af te raden. Een voorafgaande sterkte zwakte analyse teneinde desgevallend op bepaalde punten te kunnen remediëren is een absolute must.

Lees meer!

Verkoop van aandelen: checklist voor de verkoper

09/10/2018 - Bram Stragier, Stijn Lamote

Dat een geslaagde overname staat of valt met een goede voorbereiding en dito begeleiding, is een open deur intrappen. Er bestaat geen algemeen toepasbaar draaiboek en iedere overname is verschillend. Wel zijn er een aantal terugkerende issues die telkens een invulling dienen te krijgen. Deze invulling varieert van zeer gunstig voor de verkoper, over evenwichtig, tot zeer gunstig voor de koper. In deze bijdrage staan we even stil bij enkele van deze issues, zonder limitatief te willen zijn. Wij vertrekken hierbij uit het perspectief van de verkopende partij. We gaan met andere woorden na met welke invulling de verkoper het meest gebaat kan zijn. Letter of intent Vaak begint het acquisitieproces met een letter of intent. Wij lichtten de brede variatie aan mogelijke afspraken reeds toe in een vorige bijdrage (Letter of Intent bij aandelenoverdrachten: niet vrijblijvend). De verkopende partij zal er normaliter belang bij hebben om deze afspraken zo concreet en bindend mogelijk te maken, om zich maximaal in te dekken tegen het afspringen van de deal. Dit betekent dat de verkoper erop zal toezien dat er in de letter of intent een akkoord is over finale prijs en voorwerp, en dat de ‘escape’- routes (bv. opschortende voorwaarden) voor de koper goed afgelijnd zijn. Non-disclosure agreement Een koper wil zich vergewissen van alle financiële, boekhoudkundige, commerciële, en operationele aspecten van de over te nemen vennootschap. De ongebreidelde toegang tot deze informatie houdt voor de verkoper een belangrijk risico als de deal alsnog zou afspringen. De informatie die de koper geabsorbeerd of zelfs gekopieerd heeft, zou immers kunnen ingezet worden om de vennootschap achteraf te beconcurreren. De verkoper doet er goed aan om een sluitende confidentialiteitsverplichting op te leggen aan de koper, vooraleer toegang te verlenen tot de – vaak gevoelige – bedrijfsinformatie. Hieraan worden best forfaitaire schadevergoedingen gekoppeld. Idealiter voorziet men ook een cliëntenbeding (bv. als de deal niet doorgaat, zal de koper gedurende een bepaalde termijn de cliënten van de vennootschap niet bedienen), en een niet-afwervingsbeding m.b.t. het personeel. Marktbevraging leert dat in 60% van de overnames met non-disclosure agreements wordt gewerkt. Due diligence Het is aanbevolen om goede afspraken te maken over het verloop van het due diligence onderzoek. Zal dit gebeuren, hoe zal dit gebeuren en wat is de concrete bedoeling ervan? Mag de koper alle lokalen betreden en met het personeel spreken? Dit moet op maat gesneden worden van de gevoeligheden van de target en de sector. Zo kan de verkoper ermee gebaat zijn om te werken met een gesloten ‘data-room’, met een verbod op het nemen van kopieën. In ongeveer 80% van de overnames wordt de due diligence via een virtuele dataroom georganiseerd. Vaak wil de verkoper ook niet dat de resultaten van het due diligence onderzoek ingezet worden om de prijs te drukken. In dat geval krijgt de koper enkel de mogelijkheid om uit de deal te stappen indien het due diligence onderzoek betekenisvolle, negatieve zaken aan het licht zou brengen. De mogelijke impact van de conclusies van het due diligence onderzoek wordt best duidelijk vastgelegd in de Letter of Intent. Verklaringen en waarborgen Als alles voorspoedig verloopt, sluiten partijen finaal het overname contract of ‘SPA’ (Share Purchase Agreement). In haast alle overnamecontracten vindt men verklaringen en waarborgen van de verkoper terug. In de regel zal de koper vragen dat de verkoper verantwoordelijk blijft voor alle schadegevallen die na de overname opduiken en die teruggaan op feiten of handelingen uit het verleden. In de meerderheid van de gevallen zal de verkoper ook bijzondere waarborgen afleggen voor specifieke risico’s die de koper n.a.v. het due diligence onderzoek ontdekt heeft. De concrete invulling van deze waarborgregeling kan overhellen in het belang van de koper of van de verkoper. Opnieuw is contractuele duidelijkheid een must, zowel op procedureel als op inhoudelijk vlak. Zo is er haast steeds een uitgeschreven procedure voor het geval er spreekwoordelijke ‘lijken uit de kast’ zouden vallen. De verkoper is hier gebaat met procedurele beperkingen op mogelijke claims. De verkoper kan ook proberen om ook inhoudelijke beperkingen op de verklaringen en waarborgen in te bouwen, zodat de blootstelling aan post-acquisitieclaims zo klein mogelijk wordt: De verklaringen en waarborgen kunnen op zich beperkt worden tot bv. bepaalde materies (bv. enkel fiscale en sociale materies en geen operationele zaken of productaansprakelijkheid); De termijn om claims in te dienen, kan beperkt worden in de tijd; in haast alle overnames is er een dergelijke tijdsbeperking begrepen; meestal bedraagt die 2 jaar; voor fraude of fiscale, sociale en milieu-problematieken is de termijn meestal langer; De claims kunnen op verschillende manieren beperkt worden in bedrag: De zgn. ‘de minimis clauses’: schadeclaims die een lagere inzet hebben dan een vastgestelde drempel, zijn niet toelaatbaar; deze drempel varieert in de regel tussen de 0.05% en 0.25% van de koopprijs; vaak voorziet men ook een gecumuleerd minimum voor het geval er verschillende, kleinere schadeclaims zouden zijn; aldus vermijdt men claims en procedures voor relatief onbelangrijke bedragen; De zgn. ‘caps’: het maximumbedrag waartoe een verkoper kan aangesproken worden; dit plafond varieert tussen de 10% en 100% van de koopprijs, waarbij percentages tussen de 15% en 30% meest courant zijn; Bij de begroting van de schadevergoeding wordt enkel de eigenlijke impact van het schadegeval op het eigen vermogen van de vennootschap weerhouden, zonder rekening te houden met de gevolgschade of de eventuele recurrente effecten op de winst, en abstractie makend van wijze waarop de prijs tot stand gekomen is (bv. Ebitda-factor); een voorbeeld kan dit verduidelijken: het afhaken van een belangrijke klant nà de overname, omdat er vóór de overname fouten gebeurd zijn, heeft geen impact op het gewaarborgde, eigen vermogen van de vennootschap, maar wel op toekomstige winst ervan; indien de schadevergoeding contractueel geënt wordt op het gewaarborgde, eigen vermogen zal de verkoper hiervoor niet kunnen aangesproken worden; De eventuele schadevergoeding neemt de vorm aan van een prijsvermindering waardoor schadegevallen die een aftrekbare kostenpost uitmaken voor de vennootschap, slechts aanleiding geven tot een schadevergoeding verminderd met het tarief in de vennootschapsbelasting; Men kan eventueel ook voorzien dat eventuele positieve variaties of onverwachte meerwaarden t.a.v. de gewaarborgde overnamebalans, gecompenseerd worden met de vastgestelde schadegevallen. Uiteraard dienen ook verzekeringsuitkeringen die betrekking hebben op de schadegevallen in mindering te worden gebracht van de schadeclaim. ... Disclosures Een vaak terugkerend debat is dat over de omvang van de disclosures. Dit is gekoppeld aan de verklaringen en waarborgen die de verkoper meestal aflegt. Disclosures zijn de zaken waarvan de koper vóór de contractsluiting kennis heeft, bv. uit het due diligence onderzoek, of omdat deze zaken publiek beschikbaar zijn. Dergelijke zaken kunnen geen aanleiding geven tot schadeclaims achteraf, omdat ze economisch gezien geacht worden verdisconteerd te zijn in de prijs. Men kan het ook beschouwen als uitzonderingen op de verklaringen en waarborgen. De verkoper zal wensen dat de disclosures zo ruim mogelijk zijn, om het risico op claims te minimaliseren. Het vastklikken van de afspraken hieromtrent is essentieel om de postacquisitiepositie van de verkoper zo sterk mogelijk te maken. Het verzekeren van de betaling van de prijs De eigendomsoverdracht gebeurt – uiteraard – pas tegen betaling van de prijs. Het hoeft weinig betoog dat de verkoper best gediend is met een onmiddellijke betaling. Ingeval er toch een uitgestelde betaling voorzien wordt (een vendor loan of een earn-out), zijn er best solide waarborgen die de inning van het saldo van de prijs verzekeren. Verdere samenwerking koper - verkoper De Koper vraagt niet zelden dat de verkoper nog (even) actief blijft in de overgenomen vennootschap, onder meer om de integratie van de nieuwe eigenaar en medewerkers te versnellen. Soms voorziet men ook een samenwerking op middellange termijn. Dit is niet altijd evident, al zeker niet wanneer de verkoper ook nog een deel van zijn prijs op de aandelen ontvangt op basis van toekomstige resultaten (een zgn. ‘earn-out’). De verwachtingen en doelstellingen van beide partijen moeten hierbij tot in de diepte uitgepraat en vastgelegd worden om ook dit aspect van de transitie te doen slagen. De optimale verkoop van een bedrijf is een uitvoerig proces waar niets aan het toeval kan overgelaten worden. Het loont de moeite om hiervoor de tijd te nemen en professioneel advies in te winnen. Vaak wordt immers een stuk levenswerk verkocht. Een goed uitgebalanceerde opbouw van het overnametraject, zowel op financieel, operationeel als juridisch vlak, is een must.

Lees meer!

Het UBO-register treedt op 31 oktober in werking - nieuwe verplichtingen voor bestuurders

23/08/2018 - Bram Stragier

Op 30 juli jl. werd het Koninklijk Besluit uitgevaardigd met de concrete werking van het UBO-Register (Register of Ultimate Beneficial Owners - Register van Uiteindelijke begunstigden). Dit KB geeft uitvoering aan de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Deze wet is op haar beurt een omzetting van de vierde Europese Richtlijn inzake witwassen. De nieuwe regeling treedt al in werking op 31 oktober 2018. Het UBO-register Het UBO-Register is een centraal register dat wordt beheerd door de FOD Financiën, afdeling Thesaurie. Bedoeling is om van alle juridische entiteiten naar Belgisch recht de uiteindelijke begunstigden bij te houden. Hiertoe wordt een belangrijke nieuwe verplichting opgelegd aan de bestuursorganen van deze entiteiten om gegevens mee te delen, op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid (zie hierna). Ander aandachtspunt is het inzagerecht in dit register, zowel door burgers als door fiscale autoriteiten (zie verder). Wie valt onder de nieuwe informatieverplichting? Vooreerst gaat het om àlle vennootschappen naar Belgisch recht, ongeacht hun rechtsvorm. Dit omvat dus ook de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (zoals een maatschap). Ook alle verenigingen naar Belgisch recht vallen hieronder, de (internationale) VZW's evenals Belgische stichtingen, trusts en figuren vergelijkbaar met een trust of fiducie. Hierna gaan we enkel in op de regeling inzake vennootschappen. Bestuursorganen van een vennootschap die nalaten aan de nieuwe informatieverplichtingen te voldoen, kunnen persoonlijke boetes oplopen van 400,00 tot 40.000,00 EUR. De uiteindelijk begunstigden De uiteindelijke begunstigden zijn steeds de natuurlijke personen. Bij vennootschappen worden de hierna volgende natuurlijke personen beschouwd als de uiteindelijk begunstigden: De natuurlijke persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks minstens 25% van de aandelen aanhoudt; De natuurlijke persoon die via andere middelen zeggenschap heeft over de vennootschap; Indien geen van de voorgaande personen kan worden geïdentificeerd, worden de leidinggevende personeelsleden beschouwd als de uiteindelijke begunstigden. Bij de andere juridische entiteiten gelden afwijkende definities, rekening houdend met hun eigenheid. Mee te delen gegevens Het bestuursorgaan van de vennootschap dient de volgende gegevens te verzamelen omtrent de eindelijk begunstigden en deze mee te delen aan het UBO-register. Naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit, verblijfplaats, identificatienummer; Datum waarop hij uiteindelijk begunstigde is geworden; De gegevens op basis waarvan hij als uiteindelijk begunstigde wordt beschouwd (vb. omvang van het aandeelhouderschap). Inzagerecht Het UBO-register zal, voor wat betreft vennootschappen, kunnen ingezien worden door: De bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de fiscale autoriteiten; Men zou kunnen argumenteren dat dit inzagerecht moet beperkt zijn tot de doelstelling van de wet, met name de strijd tegen terrorisme en witwassen van geld. We vestigen evenwel de aandacht op de onderscheiden wet van 26 maart 2018, die bepaalt dat de fiscale autoriteiten het UBO-register ook mogen consulteren met het oog op de juiste heffing van de belasting … De onderworpen autoriteiten in het kader van hun verplichtingen inzake waakzaamheid ten aanzien van de cliënten (hieronder vallen o.m. de cijferberoepen en notarissen, gerechtsdeurwaarders en advocaten); Elke burger. Dit betekent een verregaande inperking van de privacy. Hieraan wordt enigszins tegemoet gekomen door de toegang te beperken tot bepaalde gegevens (bv. niet verblijfplaats). De inzage is enkel mogelijk op basis van de gegevens van de vennootschap, en men kan niet zoeken via de uiteindelijke begunstigde. De raadpleging gebeurt via een elektronische identiteitskaart en de inzage wordt geregistreerd. Voor de andere juridische entiteiten gelden afwijkende regels. Zo zal in die gevallen de burger een legitiem belang moeten aantonen. De betrokken informatieplichtigen en de uiteindelijk begunstigden worden niet verwittigd van een raadpleging in het UBO-register. Praktisch De technische modaliteiten van deze regeling zullen nog uitgewerkt worden door de bevoegde Minister. Wij houden u daarvan op de hoogte. Het is raadzaam om in afwachting daarvan alle vereiste gegevens te verzamelen, zodat deze tijdig kunnen meegedeeld worden.

Lees meer!

de (hete) fiscale zomer 2018 - belangrijke fiscale evoluties in een notendop

23/08/2018 - Stijn Lamote

De hete zomer van 2018 loopt snel naar zijn einde. Wij zetten enkele fiscale nieuwigheden van juli en augustus voor u op een rij. B2B verhuur met btw – gewijzigde regels inzake inwerkingtreding biedt opportuniteiten In ons artikel van 27 april 2018 brachten we de nieuwe regelgeving rond B2B verhuur met btw in kaart. In essentie maakt de wetgever het mogelijk om in B2B situaties optioneel toch met BTW te verhuren, waardoor de btw op investeringskosten alsnog in aftrek kan gebracht worden. Na advies van de raad van state zijn de regels van inwerkingtreding nu zeer recent op cruciale punten gewijzigd. Belangrijk nieuws voor op stapel staande bouwprojecten! Een gebouw of een gedeelte van een gebouw kan vanaf 1 januari 2019 met btw worden verhuurd, onder volgende (essentiële) voorwaarden: het pand wordt door de huurder "uitsluitend" gebruikt voor de economische activiteit (een met btw belaste activiteit of een van de btw vrijgestelde activiteit); de huurder en de verhuurder kiezen er gezamenlijk voor om het btw regime toe te passen De BTW optie is enkel mogelijk voor gebouwen waarvan de btw op de oprichting of de renovatie (tot nieuwbouw) ten vroegste opeisbaar is geworden op 1 oktober 2018. De BTW bij de bouw of vernieuwbouw wordt opeisbaar wanneer een aannemer/leverancier in dit verband een factuur uitreikt, er voor de bouw/vernieuwbouw een voorschot wordt betaald en/of wanneer het gebouw is voltooid. In het wetsontwerp in zijn vorige versie was voorzien dat ook immateriële diensten in deze oefening dienden betrokken te worden. Dit betekende dat, indien een architect op vandaag reeds bezig was met het ontwerp en de bouwaanvraag, het op te richten gebouw niet met btw kon worden verhuurd ook al was er op 1 oktober 2018 nog geen steen gelegd. Zoals in ons artikel van 27/4/2018 gesteld, zorgde dit voor een onheuse inkrimping van de toepassingsmogelijkheden van het nieuwe regime. In het aangepast ontwerp wordt verduidelijkt dat enkel oprichtingswerken stricto sensu (materiële bouwkosten) niet mogen hebben plaatsgevonden voor 1 oktober 2018 (afbraakwerken, grondwerken en voorafgaande studiewerken vormen niet langer een uitsluiting om vanaf 1 januari 2019 met BTW te verhuren en dus de BTW op het project te recupereren). Voor ieder project afzonderlijk dient het impact van deze gewijzigde regelgeving in kaart te worden gebracht. Voordeel alle aard voor bewoning – definitieve regels liggen vast! Het forfaitair voordeel alle aard bewoning is – voor het geval dat een vennootschap een woning ter beschikking stelt - in het Koninklijk Besluit bij het WIB92 vastgelegd als volgt: het geïndexeerd KI x 100/60 vermenigvuldigd met 3,8 (de zogenaamde Di Rupo verhoging). De rechtspraak vond dit discriminerend en bracht dit voordeel terug tot het geïndexeerd KI x 100/60 vermenigvuldigd met 1 (zoals het geval is als een natuurlijk persoon een woning ter beschikking stelt). De fiscus heeft zich hier ook bij neergelegd. Op dit ogenblik zijn heel wat bezwaarschriften en ontheffingen van ambtswege lopende om alsnog de factor 1 toegepast te zien, alsook dient men met de factor 1 rekening te houden bij de aangiftes personenbelasting voor het kalenderjaar 2017. Naar aanleiding van het (zomer)begrotingsconclaaf heeft de regering beslist dat de algemene formule, ongeacht wie ter beschikking stelt, het KI x 100/60 x 2 zal zijn. De wet ter zake zal worden gestemd voor jaareinde en van toepassing zijn vanaf 2018 (aanslagjaar 2019). Wijzigingen erfbelasting/schenkbelasting Ons erfrecht wordt met ingang van 1 september 2018 zeer grondig hervormd. Hierna vindt u in bullet stijl enkele fiscale wijzigingen die in de slipstream van deze erfrecht revolutie in werking treden (Vlaams decreet van 6 juli 2018). Inzake erfbelasting: - (zeer beperkte) verlaging van de successietarieven in de zijlijn/ten aanzien van derden; planning blijft hier een must want de tarieven blijven in de hoogste schijf oplopen tot 55%; - op nul zetting van het successietarief tussen echtgenoten/partners in de eerste schijf van € 50.000,00 aan roerende goederen; - het nieuw erfrecht voorziet een wettelijk opvolgend vruchtgebruik voor echtgenoten (alle goederen)/wettelijke partners (betreffende de gezinswoning en huisraad); indien een echtgenoot een onroerend goed met voorbehoud van vruchtgebruik schenkt aan zijn kinderen dan wordt voor overlijdens vanaf 1 september 2018 het vruchtgebruik bij zijn overlijden van rechtswege verlengd voor de duurtijd van het leven van zijn overlevende echtgenote en ook aan haar toegekend; hierop voorziet de Vlaamse decreetgever erfbelasting; het blijft nog steeds beter om in de schenkingsakte zelf een conventioneel opvolgend vruchtgebruik of een aanwassystematiek te voorzien, zo is immers geen erfbelasting verschuldigd; Inzake schenkbelasting: - bij overlijdens vanaf 1 september 2018 is er de mogelijkheid om als begiftigde binnen het jaar door te schenken aan (klein)kinderen en dat met vrijstelling van schenkbelasting; dit kadert perfect in de steeds meer gebruikte planning met 'generation skipping' en biedt zeer belangrijke opportuniteiten, bijvoorbeeld naar aanleiding van een doorschenking door de langstlevende aan de kinderen binnen het jaar na overlijden van de eerststervende. Nieuw BTW boete beleid Fiscale controles op vlak van btw geven soms aanleiding tot frustraties omdat de wetgever in boetes voorziet voor vormfouten in de brede zin van het woord, ook al loopt de schatkist daardoor geen btw mis. Het gaat bijvoorbeeld om het te laat indienen van listings, het niet voldoen als medecontractant van btw op een handeling terwijl die btw ook aftrekbaar is, een formeel gebrek op een factuur, … Voor de Kamer heeft de Minister van Financiën zijn nieuw boetebeleid toegelicht, die ook in een interne instructie van 13 juni 2018 is vertaald. Via het indienen van een gemotiveerd verzoekschrift zal in bepaalde gevallen nu volledige kwijtschelding kunnen worden verleend, mits men geen recidivist is en de goede trouw vaststaat. Dit gaat over boetes die opgelegd zijn vanaf 1/1/2018, zodat het nut biedt om een aantal afgelopen controledossiers terug ter hand te nemen en op dit punt te evalueren.

Lees meer!

#14 Belasting op kapitaalverminderingen die plaatsvonden vóór 1/1/2018

15/06/2018 - Stijn Lamote

Sinds eind de jaren ’90 tot eind 2016 was het courant dat bedrijfsleiders de aandelen van hun werkvennootschappen inbrachten in een eigen holding. De waarde van de ingebrachte aandelen van de werkvennootschappen vormde bij de holding fiscaal gestort kapitaal; en fiscaal gestort kapitaal kan vervolgens vroeg of laat belastingvrij aan de aandeelhouder terugbetaald worden. De fiscus heeft zich altijd gefrustreerd over dit scenario. Immers, had de aandeelhouder de werkvennootschap verder laten groeien en zich dividenden laten uitkeren uit de gegenereerde winsten, dan kon de fiscus een graantje meepikken via de roerende voorheffing op deze dividenden (voorheffing door de jaren heen geëvolueerd tot een tarief van 30%). Indien de aandelen van de werkvennootschappen daarentegen in een holding werden ingebracht, dan is er bij de dividenduitkering (tussen vennootschappen) geen belasting. Daarenboven, indien de aandeelhouder diezelfde winsten finaal wil incasseren, dan doet hij dit niet via een dividenduitkering uit de holding (met roerende voorheffing), maar wel door een vermindering van het fiscaal gestort kapitaal in de holding (belastingvrij). In de periode 2000 tot en met 2012 was de aanvalsroute van de fiscus op dergelijke structuuruitbouw hoofdzakelijk de belasting op meerwaarde. Men probeerde de meerwaarde die de bedrijfsleider realiseerde naar aanleiding van de inbreng van zijn aandelen in de holding te belasten, omdat dit abnormaal beheer van privé vermogen zou uitmaken. In ons fiscaal wetboek bepaalt artikel 90, 9° WIB 92 immers dat inkomsten uit abnormaal beheer van privé vermogen belastbaar zijn. Op enkele uitzonderingen na (mn. in extreme feitenconstellaties), delfde de fiscus doorgaans het onderspit in dit debat. Met de invoering van de vernieuwde antimisbruikbepaling (artikel 344 §1 WIB 92 nieuw) gooide de fiscus het over een andere boeg. De antimisbruikbepaling, ingevoerd bij wet van maart 2012, laat de fiscus onder bepaalde voorwaarden toe om een structuur, die met een doorslaggevend fiscaal motief is opgezet, naast zich neer te leggen. Dat fiscaal motief moet erin bestaan om een bepaalde heffing te omzeilen in strijd met het doel en de strekking van de fiscale wet. De fiscus zag brood in deze nieuwe antimisbruikbepaling om voornoemde structuuruitbouw aan te vallen, dan niet zozeer naar aanleiding van de inbreng in de holding, wel bij de kapitaalvermindering. Haar idee was dat in bepaalde gevallen de holding enkel was opgericht om de dividendbelasting te vermijden zoals hierboven omschreven. De fiscus hield dan voor dat in deze gevallen abstractie kon worden gemaakt van de holdingstructuur en dat de dividenduitkering uit de werkvennootschap geacht werden rechtstreeks aan de natuurlijke persoon te zijn uitgekeerd, waardoor er wel roerende voorheffing verschuldigd is (de vrijstelling roerende voorheffing speelt enkel voor dividenduitkeringen tussen vennootschappen, niet bij dividenduitkeringen aan natuurlijke personen). In een recente uitspraak bevestigt de rechtbank van eerste aanleg van Brugge (Rb. Brugge, 19 februari 2018) dat deze taxatiewijze technisch mogelijk is; het betrof een inbreng van aandelen in 1999 in een holding gevolgd door een cascade van kapitaalverminderingen in de periode 2005 tot en met 2013. De rechtbank aanvaardde de taxatie(wijze), althans voor de kapitaalverminderingen die na de inwerkingtreding van de vernieuwde antimisbruikbepaling in 2012 plaatsvonden. De kans is klein dat deze zaak hiermee eindigt; wellicht volgt er een beroepsprocedure voor het Hof van Beroep Gent. Wanneer een belastingplichtige naar aanleiding van een controle op de door hem doorgevoerde kapitaalvermindering door de fiscus zou worden geconfronteerd met dit vonnis, dan kan hieraan absoluut geen algemene draagwijdte verleend worden. De vernieuwde antimisbruikbepaling kan ons inziens op dergelijke gevallen niet van toepassing zijn indien: ofwel, er ook andere (niet fiscale) motieven hebben meegespeeld om de holding op te richten, en deze motieven achteraf ook geconcretiseerd werden (bv investering(en) via holding, successieplanning via holding, herkavelen van vermogen uit het ondernemingsrisico via holding, …) of er een valabele reden is wanneer deze motieven finaal niet geconcretiseerd werden; ofwel, er door de fiscus geen eenheid van opzet kan worden aangetoond tussen de oprichting van de holding en de latere kapitaalvermindering; die eenheid van opzet kan er ons inziens niet zijn, indien de winsten die door de werkvennootschap aan de holding worden uitgekeerd om de kapitaalvermindering uiteindelijk te financieren, gevormd zijn na de kapitaalinbreng; op het ogenblik van inbreng kan er dan immers geen (voor toepassing van de antimisbruikbepaling vereiste) intentie zijn geweest om dividendbelasting te ontwijken aangezien de uiteindelijk uitgekeerde winsten er nog niet waren bij inbreng; de rulingpraktijk volgt ons in deze analyse (oa. ruling 2017.815 dd. 12/12/2017) ofwel, er voor de kapitaalvermindering op zich (los van al het bovenstaande) een specifieke niet fiscale reden is, zoals de uittrede van een aandeelhouder, of een familiale herschikking, … ofwel, de inbreng van de aandelen dateert van voor de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling in 2012; ons inziens kan de nieuwe antimisbruikbepaling, die in het geval een opeenvolging van rechtshandelingen de fiscale besparing vormt, enkel worden toegepast indien de eerste handeling in de ketting dateert van na de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling; een belastingplichtige kan moeilijk fiscaal afgestraft worden op zijn handelingen op basis van een wet die op het ogenblik van zijn handelen niet bestond … … Het vonnis van 19 februari 2018 lijkt ons de technische toets niet te doorstaan, spijts er - naar verluidt - vrij scherpe feiten aan de basis lagen. In ieder geval kan dit vonnis door de fiscus niet zomaar worden mis/gebruikt in lopende of nieuwe controles. De belastingplichtige heeft doorgaans voldoende munitie om stevig van zich af te bijten.

Lees meer!