Inschrijven nieuwsbrief
Geef hieronder uw emailadres op en ontvang onze nieuwsbrieven automatisch in uw mailbox!
10/01/2023 - Bram Stragier
Het nieuw verbintenissenrecht is op 1 januari 2023 in werking getreden en geldt voor alle overeenkomsten die sindsdien gesloten worden. De nieuwe spelregels grijpen in op het volledige, contractuele proces: De onderhandelingen en de fouten die daarbij kunnen gemaakt worden; De algemene voorwaarden en hun tegenstelbaarheid; De interpretatie van de clausules; De nietigheid van bepaalde clausules; De manier waarop omgegaan wordt met gewijzigde omstandigheden; De mogelijkheid om de schade forfaitair te ramen in het contract; De mogelijkheid om eenzijdig de prijs te verminderen bij een tekortkoming van de andere partij; De mogelijkheid om een contract vroegtijdig te verbreken, zelfs zonder concrete inbreuk van de andere partij; De gevolgen van de ontbinding van een overeenkomst; Enz. Dit nieuwe kader is een aandachtspunt bij iedere verrichting van iedere ondernemer, zowel in een B2B - als B2C-context. De regels zijn grotendeels van aanvullend recht, zodat partijen kunnen afwijken van de nieuwe voorschriften en een grote contractsvrijheid behouden. Een update van alle contractuele documenten is aan de orde (algemene voorwaarden, contracten voor verkoop, levering van diensten, aanneming, enz.). Ons team helpt u graag verder.
Lees meer!08/11/2022 - Bram Stragier, Stijn Lamote
Steve Bonte, Jelle Derammelaere en Arne Hanssens worden vennoot bij Lamote Stragier Advocaten! Zij groeiden intern door en zijn fiere dragers van het kantoor-DNA. Hun instap vergroot de spoorbreedte van het kantoor en onderstreept de lange termijnvisie.
Lees meer!14/06/2022 - Arne Hanssens, Stijn Lamote
Lees het artikel van Arne Hanssens en Stijn Lamote “Vlabel neemt standpunt in over nieuwe maatschapstechnieken na sluiting kaasroute”.
Lees meer!16/05/2022 - Stijn Lamote, Arne Hanssens
Eind 2020 is de Nederlandse kaasroute gesloten waardoor het schenken zonder 3% schenkbelasting voor roerende goederen sterk bemoeilijkt is. Sindsdien wordt creatief nagedacht over alternatieve planningstechnieken. Ons kantoor is hierin één van de voortrekkers en bekwam bij Vlabel de Voorafgaande Beslissing 22009, waarin alvast bepaalde alternatieve technieken door Vlabel worden gevalideerd. Dit is geen eindpunt, maar een verduidelijkende stap voorwaarts. Op korte termijn verschijnt hieromtrent een uitgebreid artikel in Fiscale Actualiteit (Kluwer). Dit artikel zal op onze nieuwsbrief en via onze LinkedIn pagina worden gedeeld.
Lees meer!21/04/2022 - Stijn Lamote
Vivaldi wil een extra bedrag van 1 miljard euro (!) inzamelen uit een betere fraudebestrijding. Afgelopen weekend raakte bekend dat de regering daartoe een tweede actieplan klaar heeft. Een eerste plan werd vorig jaar al gelanceerd met topics als het moderniseren van de witte kassa’s, het uniformiseren van elektronische betalingen, het gerichter sanctioneren van wanbetalers en het verbeteren van de samenwerking tussen BBI en parket. Het tweede plan dat vandaag op tafel ligt, legt vooral de focus op internationale en complexere fraudedossiers. Twee actiepunten in dit plan springen in het oog. De regering is van plan om de fiscale onderzoeks- en aanslagtermijnen te brengen op tien jaar ingeval van fiscale fraude én ingeval van complexe dossiers. Daarnaast wil de regering dat er ook dwangsommen kunnen opgelegd worden aan bedrijven die weigeren hun medewerking te verlenen bij een BBI inval. De wetsvoorstellen in die zin moeten nog uitgeschreven en gestemd worden, dus het is voorlopig nog koffiedik kijken hoe de regelgeving er exact zal uitzien en wat bijvoorbeeld zal worden verstaan onder ‘complexe dossiers die een uitbreiding van termijn rechtvaardigen’. Als kantoor worden wij dagelijks geconfronteerd met dossiers van fiscale fraude, en we permitteren ons dan ook onze eerste appreciatie over deze initiatieven te delen. Fiscale fraude wordt in ons land in essentie bestreden op twee niveaus: “ernstige” fiscale fraude wordt strafrechtelijk bestreden op basis van een strafrechtelijk onderzoek door het parket; “gewone” fiscale fraude wordt bestreden door de fiscale administratie, meestal door de BBI, minder door lokale administraties. Strafrechtelijk fiscaal onderzoek anno 2022 – vergaand, maar onder toezicht Ernstige fiscale fraude die op vandaag door het parket wordt aangepakt is door de link met het witwasmisdrijf feitelijk onverjaarbaar zodat er hier geen wettelijk initiatief nodig is om het parket voldoende armslag te geven om ver terug te gaan in de tijd. In de praktijk stellen wij vast dat, als het parket voldoende documentatie heeft, zij gemakkelijk tot de jaren ’90 teruggaat. Een strafrechtelijk onderzoek naar fiscale fraude kan ook in een ander opzicht vergaand zijn, door de ruime onderzoeksbevoegdheden (denk maar aan een huiszoeking, verhoor, arrestatie…). Net omwille van het in diverse opzichten vergaand karakter van deze onderzoeken (in tijd maar ook in bevoegdheden) staat een dergelijk onderzoek onder toezicht van een onderzoeksrechter, die een bescherming moet vormen tegen onrechtmatig overheidsoptreden. Administratief fiscaal onderzoek anno 2022 – beperktere mogelijkheden voor de fiscus Een administratief onderzoek naar fraude is in vergelijking met een strafrechtelijk onderzoek minder vergaand. Bij een administratief onderzoek mag men geen dwang gebruiken en moet alles met de toestemming van de belastingplichtige gebeuren. In de praktijk stellen we vast dat de BBI de laatste jaren een fiscale visitatie steeds meer als een strafrechtelijke huiszoeking gaat zien. Nochtans blijft het basisprincipe bij een administratief onderzoek de toestemming. De verjaringstermijn bij de administratieve vervolging van fiscale fraude bedraagt doorgaans ook maar zeven jaar. Alleen voor juridische constructies in belastingparadijzen is er een termijn van tien jaar voorzien. Fiscale fraudebestrijding morgen – voldoende bescherming voor de belastingplichtige? In de strijd tegen fiscale fraude wil de regering nu die verjaringstermijn in geval van administratieve vervolging optrekken tot tien jaar. Bovendien wil de regering die verjaringstermijn van tien jaar ook gaan hanteren in “complexe dossiers”. Onder complexe dossiers zouden vooral internationale dossiers vallen aangaande transfer pricing, internationale transacties en juridische constructies. In deze dossiers zou er dus tien jaar terug kunnen worden gegaan in tijd, ook al is er geen sprake van fraude. Ook zal de BBI zich geruggesteund weten door dwangsommen bij onvoldoende medewerking van de belastingplichtige bij een onderzoek. Fiscale fraude dossiers neigen zo steeds meer het terrein van de fiscus te worden, met steeds meer bevoegdheden voor de fiscus in de richting van deze van het parket. Maar hoe zit het met toezicht op de fiscale administratie? Bij een optreden van het parket, kijkt de onderzoeksrechter onafhankelijk mee, onder meer met oog op vrijwaring van de rechten van verdediging van de belastingplichtigen. Wat is deze bescherming van de belastingplichtige bij de in de praktijk steeds verder gaande onderzoeken van de fiscale administratie, wat nu wettelijk nog verruimd zal worden? Hopelijk neemt de wetgever deze bezorgdheid straks mee bij het redigeren van de wetteksten. Complex = fraude? Tien jaar terug in de tijd kunnen gaan omdat dossiers complex zijn, zonder dat er sprake is van fraude, lijkt ons echter ook in elk geval een brug te ver. Belastingplichtigen moeten complexe regelgeving onmiddellijk correct kunnen toepassen maar de overheid krijgt in ruil wel tien jaar om complexe dossiers te bestuderen. Een administratieve verjaringstermijn van tien jaar voor niet ernstige fraude dossiers of complexe dossiers is disproportioneel. Men kan zich de vraag stellen of het wel verantwoord is dat vele strafrechtelijke inbreuken verjaren na vijf jaar terwijl niet ernstige fiscale fraude dossiers of complexe belastingdossiers op administratief niveau slechts als verjaard worden beschouwd na tien jaar. Zich verdedigen over feiten tien jaar na datum is door het lange tijdsverloop sowieso al niet evident. Is het dan echt maatschappelijk wenselijk om de verjaringstermijnen op administratief niveau voor niet ernstige fraude zaken of complexe belastingzaken ook nog eens te verlengen? Of is het budget belangrijker dan rechten van verdediging? Het is politiek uiteraard sympathiek om geld te gaan zoeken in zogenaamde fraudedossiers, maar vergaande maatregelen vereisen ook vergaande bescherming tegen onrechtmatig overheidsoptreden. In die zin is het logischer om vergaande maatregelen in geval van fraude onder te brengen onder het strafrechtelijk niveau en niet onder het administratief niveau. De bescherming tegen onrechtmatig overheidsoptreden op administratief niveau schiet immers maar al te vaak tekort, ook vandaag al. We zijn dan ook benieuwd of de wetgever erin zal slagen dit plan om te zetten in een evenwichtige wettekst. Wij houden u in ieder geval op de hoogte.
Lees meer!05/01/2022 - Stijn Lamote, Bram Stragier
Lamote Stragier Advocaten heeft haar team familiaal (vermogens)recht versterkt met Mr. Nathalie D’Hooghe. Zij is sinds 20 jaar verbonden aan de West-Vlaamse Balie en heeft in die tijd een nichepraktijk uitgebouwd in het familiaal recht en vereffening-verdelingen. De verruiming naar het brede familie- en familiaal vermogensrecht, naast de bestaande afdeling ‘vermogensplanning’ is een extra dienst naar onze cliënten, voor het geval deze geconfronteerd worden met familiale perikelen en/of verdelingen van een nalatenschap. Door de unieke synergie van het familiaal (vermogens) recht en het vennootschapsrecht, beschikt ons kantoor over een ervaren en multidisciplinair team voor echtscheidingsdossiers met complexe vennootschapssituaties.
Lees meer!03/12/2021 - Stijn Lamote, Arne Hanssens
Discriminatie weggewerkt België liep in 2018 een veroordeling op omdat ze haar inwoners die vastgoed in het buitenland aanhielden discriminerend behandelde ten opzichte van inwoners die Belgisch vastgoed aanhielden. De inkomsten op Belgisch vastgoed werden belast op basis van de kadastrale waarde terwijl buitenlands vastgoed werd belast op basis van de reële huurwaarde. Dit onderscheid in fiscale behandeling werd begin dit jaar door de wetgever weggewerkt. Vanaf aanslagjaar 2022 worden de inkomsten op buitenlands vastgoed eveneens vastgesteld op basis van de kadastrale waarde. Vaststelling van het kadastraal inkomen Opdat de fiscus voor het buitenlands aangehouden vastgoed aangehouden door een Belgisch inwoner een kadastrale waarde kan vaststellen, werd een nieuwe aangifteplicht ingevoerd. Voor alle onroerende goederen die reeds werden verworven vóór 1 januari 2021 zou de Administratie Opmetingen & Waarderingen een aangifteformulier naar de betrokken belastingplichtigen hebben verstuurd. Elke houder van een zakelijk recht (volle eigendom, vruchtgebruik, blote eigendom, erfpacht, opstal, …) op een buitenlands onroerend goed is verplicht uit eigen beweging uiterlijk op 31 december 2021 het onroerend goed aan te geven. Werd het buitenlands onroerend goed verworven na 1 januari 2021, moet je de Administratie Opmetingen & Waarderingen hiervan uit eigen beweging binnen vier maanden vanaf de verwerving op de hoogte brengen. De aangifte van het buitenlands vastgoed kan snel en eenvoudig via Myminfin. Het aangifteformulier kan ook op papier ingevuld worden en via mail verstuurd naar foreigncad@minfin.fed.be. In het bezit van een buitenlands verblijf? Vergeet niet voor jaareinde de fiscus op de hoogte te stellen van uw buitenlandse droom indien u dit al in bezit had voor 1/1/2021. Het buitenlands verblijf recent verworven? Stel de fiscus binnen 4 maand op de hoogte van de recente aankoop.
Lees meer!15/11/2021 - Arne Hanssens, Stijn Lamote
Na de grondige hertekening van de regeling over het verkooprecht in 2018, heeft de Vlaamse regering tijdens haar septemberverklaring onder het mom van de betaalbaarheid van de eerste onroerende eigendom opnieuw een grondige hervorming van het verkooprecht gecommuniceerd. Nu is het Vlaams Parlement aan zet om deze voorgenomen hervorming in een decreet te gieten. Hoe kan de belastingplichtige vooruitlopen op de wijzigingen van het verkooprecht? Verhoging van het algemeen tarief Het algemeen tarief van de verkooprechten zal stijgen van 10% tot 12%. Concreet zal de belastingplichtige vanaf 1 januari 2022 zijn investeringsbedrag met 2% zien stijgen bij de aankoop van een investeringspand, een bedrijfspand, een tweede verblijf of een bouwgrond. Naar verluidt zou het tarief van landbouwgronden 10% blijven. Het hoger tarief zal van toepassing zijn op alle koopovereenkomsten die tot stand komen vanaf 1 januari 2022. Een koopovereenkomst komt tot stand bij de ondertekening van de onderhandse koopovereenkomst, in de volksmond de ‘compromis’ genoemd. Op de website van de Vlaamse Belastingdienst is te lezen dat het lagere tarief van 10% zal gelden voor de aankopen waarvan de koopovereenkomst (compromis) gesloten wordt tot 31 december 2021. Dit ongeacht of de notariële koopakte in 2021 of 2022 wordt verleden. De boodschap voor investeerders (andere dan investeringen in de eigen woning) is dus de compromis vóór het jaareinde te ondertekenen teneinde het tarief van 10% alsnog toe te passen. Lastenverlaging bij de aankoop van de eerste en enige woning Het verkooprecht geheven op aankopen van een eerste en enige woning wordt verlaagd van 6% naar 3% (de eerste en enige woning die wordt aangekocht met oog op een ingrijpende energetische renovatie kan voortaan aangekocht worden mits 1% verkooprecht). De Vlaamse Belastingdienst heeft reeds gecommuniceerd dat ze het tarief van 3% reeds zal toepassen bij aankopen van eerste en enige woningen waarvan de notariële akte vanaf 1 januari 2022 wordt verleden, ongeacht de datum van de eventuele compromis. De boodschap bij de aankoop van een eerste en enige woning is dus de notariële akte uit te stellen tot na de feestdagen. Een tweede verblijf, bouwgrond of een investeringspand op het oog? Teken uw compromis nog vóór het jaareinde van 2021! Uw droomwoning op de kop getikt? Wacht met de aankoopakte tot begin 2022 en geniet zo (onder voorwaarden) van het 3%-tarief.
Lees meer!17/08/2021 - Stijn Lamote
De Vlaamse decreetgever heeft een zeer positief stelsel ontwikkeld voor de schenking en vererving van familiale vennootschappen met een reële economische activiteit. De aandelen ervan kunnen, mits het vervuld zijn van enkele voorwaarden, worden geschonken aan 0% en vererfd aan 3%; een verademing in vergelijking met de reguliere tarieven die zelfs in rechte lijn tot 27% kunnen oplopen. Er geldt volgens de decreetgever een weerlegbaar vermoeden van niet reële economische activiteit indien in de betrokken vennootschap de bezoldigingen lager zijn dan 1,5% van het balanstotaal en het vastgoed meer dan 50% uitmaakt van het totale actief, en dat in tenminste één van de drie jaren voor schenking of overlijden. De wetgever zegt evenwel duidelijk dat het enkel gaat over een vermoeden, en dus dat het tegenbewijs kan geleverd worden. De Vlaamse belastingdienst (Vlabel) heeft in haar Circulaire van 2015 gesteld dat als het hierboven beschreven negatief vermoeden speelt waarbij minstens één onroerend goed in de betrokken vennootschap voor privédoeleinden wordt aangewend of verhuurd, dit tegenbewijs niet kan geleverd worden, dan zou het om een patrimoniumvennootschap gaan die uit de filosofie van de wetgeving uitgesloten is. Vlabel stelde dit evenwel zonder enige wettelijke grondslag. Het Hof van beroep te Gent, gekend om haar beginselvaste rechtspraak, bevestigde in een arrest van 1 juni 2021 dat Vlabel hier onterecht een voorwaarde aan de wet toevoegt. Het gunstregime kan dus worden toegepast op familiale vennootschappen, ook al speelt het hierboven beschreven negatief vermoeden en bevindt er zich in de vennootschap vastgoed met een privékarakter, voor zover er maar op een of andere manier kan worden aangetoond dat er enige economische activiteit in de vennootschap is. De impact hiervan voor de praktijk is zeer groot. Vennootschappen waarvan voorheen gedacht werd dat ze niet in aanmerking kwamen voor het gunstregime omdat ze (gedeeltelijk) kwalificeerden als patrimoniumvennootschappen, komen nu wel in aanmerking. Een herevaluatie dossier per dossier dringt zich op. Het is niet de eerste keer dat Vlabel aan de wetgeving in de materie van de registratie- en successierechten een eigen invulling geeft. Het zal niet de laatste keer zijn dat zij daarvoor op de vingers wordt getikt …
Lees meer!
De vereffenaar heeft als voornaamste taak de activa van de in vereffening gestelde vennootschap te verzilveren en daarmee de schulden te betalen. Artikel 190 §1 eerste lid W. Venn. bepaalt dat “de vereffenaars alle schulden moeten betalen, naar evenredigheid en zonder onderscheid tussen opeisbare en niet-opeisbare schulden, onder aftrek, wat deze laatste betreft, van het disconto.”
Door de vereffening ontstaat een situatie van samenloop: meerdere schuldeisers zullen gelijktijdig aanspraken doen gelden op het vermogen van de gemeenschappelijke schuldenaar. Uit artikel 190 W. Venn. vloeit voort dat tussen de vennootschapsschuldeisers gelijkheid moet heersen bij de verdeling van het maatschappelijk vermogen.
Het principe van de gelijke behandeling geldt alleen onder de gewone schuldeisers en de algemeen bevoorrechte schuldeisers. De bijzonder bevoorrechte schuldeisers ontsnappen aan de samenloop. Deze laatste categorie van schuldeisers - ook wel ‘de separatisten’ genoemd - beschikt over een schuldvordering die een aantoonbare band vertoont met een welbepaald actief bestanddeel uit het vermogen van de in vereffening gestelde vennootschap. Men denkt hier bijvoorbeeld aan de schuldeiser-pandhouder of de schuldeiser die een hypothecaire inschrijving heeft op een onroerend goed van de vennootschap. Dergelijke ‘separatisten’ kunnen in principe onafhankelijk van de vereffening handelen en staan als dusdanig boven de samenloop.
Daarnaast wordt er een onderscheid gemaakt tussen schulden ‘in’ de boedel en schulden ‘van’ de boedel. De samenloop van artikel 190 §1 W. Venn. en de daaraan verbonden gelijkheid tussen niet-bevoorrechte schuldeisers, slaat enkel op de schuldvorderingen die vóór het ontbindingsbesluit zijn ontstaan (de zgn. schulden ‘in’ de boedel). De schulden die de vereffenaar tijdens de vereffening maakt (de zgn. schulden ‘van’ de boedel) ontsnappen aan de samenloop en moeten volledig betaald worden vooraleer de schulden ‘in’ de boedel aan bod komen. De schulden ‘van’ de boedel genieten dit bijzonder regime zodat derden nog met een vennootschap in vereffening zouden willen handelen.
Om te vermijden dat de gelijkheid tussen schuldeisers zuiver theoretisch zou blijven, verbindt men traditioneel een aantal gevolgen aan de samenloop, die hierna worden besproken.
Schuldvergelijking is een wijze van tenietgaan van verbintenissen en impliceert dat, indien twee partijen wederzijds elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn, de tussen hen bestaande schulden teniet gaan ten belope van het bedrag van de kleinste schuld. Er zijn drie vormen van schuldvergelijking: de wettelijke schuldvergelijking heeft van rechtswege plaats tussen twee schulden die beide een geldsom of een zekere hoeveelheid vervangbare goederen van dezelfde soort tot voorwerp hebben, en die beide vaststaande en opeisbaar zijn. De gerechtelijke schuldvergelijking kan door de rechter worden uitgesproken indien er aan de voorwaarden van de wettelijke schuldvergelijking niet voldaan is. De conventionele schuldvergelijking is tot slot deze die partijen vrij overeenkomen, en die desgevallend de modaliteiten van de wettelijke schuldvergelijking verruimt.
In principe belet de vereffening van een vennootschap dat schulden nog tenietgaan door schuldvergelijking. Dit is logisch, aangezien de samenloop met zich meebrengt dat alle schuldeisers op gelijke wijze behandeld moeten worden. Als sommige schuldeisers toch betaling zouden krijgen van hun vordering door zich te beroepen op schuldvergelijking met een schuld die zijzelf nog hebben tegenover de vennootschap, dan zou dit de gelijkheid schenden.
Het verbod van schuldvergelijking geldt uiteraard niet wanneer de wederzijdse schulden ontstaan zijn en opeisbaar geworden zijn voor de datum van de samenloop. In dat geval heeft de wettelijke schuldvergelijking immers al plaatsgevonden vóór de ontbinding en dus voor de samenloop.
Als beide verbintenissen wel al ontstaan zijn, doch nog niet opeisbaar zijn geworden vóór de samenloop, kan er enkel nog schuldvergelijking plaatsvinden voor zover beide vorderingen nauw verbonden zijn. Dit is alleen het geval wanneer de verbintenissen voortvloeien uit eenzelfde overeenkomst, of uit onderscheiden overeenkomsten die passen in eenzelfde raamovereenkomst, of die een economisch geheel uitmaken.
Na de ontbinding van de vennootschap kan een onbetaalde schuldeiser die een goed verkocht heeft aan de vennootschap in vereffening geen rechtsvordering meer instellen tot ontbinding van de overeenkomst.
Ook uitdrukkelijk ontbindende bedingen en clausules van eigendomsvoorbehoud zullen niet kunnen worden tegengeworpen aan de vereffenaar. Deze technieken beogen immers de verkoper opnieuw eigenaar te maken van het verkochte goed (ontbinding) of diens hoedanigheid van eigenaar te handhaven (eigendomsvoorbehoud), waardoor de gelijkheid tussen de schuldeisers zou doorbroken worden.
Als de vordering tot ontbinding is ingesteld vóór de vereffening, kan de schuldeiser deze vordering wel aan de vereffenaar en aan de andere schuldeisers tegenwerpen.
Noteer dat de Faillissementswet in een afwijkende regeling voorziet voor wat betreft het eigendomsvoorbehoud.
Ten gevolge van de samenloop worden de schuldvorderingen gekristalliseerd op datum van de ontbindingsbesluit. Om een gelijke behandeling van alle schuldeisers mogelijk te maken, wordt de loop van de rente geschorst, opdat het bedrag van de rentedragende schuldvorderingen niet zou verhogen ten nadele van andere schuldvorderingen.
Deze schorsing geldt evenwel enkel in de verhouding tussen de schuldeisers en niet ten aanzien van de ontbonden vennootschap. Concreet betekent dit dat - indien het actief nog niet uitgeput is na de betaling van de schuldvorderingen zoals ze zijn vastgesteld op het ogenblik van het ontbindingsbesluit (nominaal bedrag meer de interesten tot op die dag) - de vereffenaars toch gehouden zijn om de rente vanaf dan te vergoeden. Indien er onvoldoende actief is, zal dit proportioneel moeten gebeuren.
Het ontstaan van de samenloop belet dat schuldeisers nog daden van tenuitvoerlegging zouden stellen waardoor de rechten van andere schuldeisers zouden worden geschaad.
Indien de vereffenaar van oordeel is dat bepaalde uitvoeringsdaden door een individuele schuldeiser de rechten van de andere schuldeisers schaden, kan hij hiertegen verzet aantekenen bij de beslagrechter. De beslagrechter kan daarna de opschorting van uitvoeringsdaden bevelen.
De invereffeningstelling van een vennootschap heeft dus niet automatisch tot gevolg dat de uitvoeringsdaden van individuele schuldeisers worden opgeschort, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld het faillissement.
Het komt aan de beslagrechter toe om te oordelen of een uitvoeringsdaad de rechten van de overige schuldeisers schaadt, en dus de gelijkheid tussen schuldeisers in het gedrang brengt. Dit zal onder meer het geval zijn als het actief ontoereikend is en de schuldeisers slechts aanspraak kunnen maken op een (beperkt) dividend, of nog wanneer de vereffenaars hierover nog geen uitsluitsel kunnen geven.
Wanneer het vaststaat dat de vereffening batig zal zijn, kan de betaling van een bepaalde schuld door de vereffenaar de rechten van de andere schuldeisers niet schaden en is gedwongen uitvoering wel mogelijk.