Ce site web utilise différents types de cookies. Vous trouverez plus d'informations sur l'utilisation des cookies dans notre cookie policy. Vous pouvez à tout moment adapter votre consentement aux cookies via les paramètres de votre navigateur. La poursuite de l'utilisation du site web implique votre consentement à notre cookie policy .

J'accepte

Abonnement à la newsletter

Saisissez votre adresse e-mail ci-dessous et recevez nos newsletters automatiquement dans votre boîte de réception !

S'abonner à la newsletter

Newsletters

#14 Belasting op kapitaalverminderingen die plaatsvonden vóór 1/1/2018

15/06/2018 - Stijn Lamote

Sinds eind de jaren ’90 tot eind 2016 was het courant dat bedrijfsleiders de aandelen van hun werkvennootschappen inbrachten in een eigen holding. De waarde van de ingebrachte aandelen van de werkvennootschappen vormde bij de holding fiscaal gestort kapitaal; en fiscaal gestort kapitaal kan vervolgens vroeg of laat belastingvrij aan de aandeelhouder terugbetaald worden. De fiscus heeft zich altijd gefrustreerd over dit scenario. Immers, had de aandeelhouder de werkvennootschap verder laten groeien en zich dividenden laten uitkeren uit de gegenereerde winsten, dan kon de fiscus een graantje meepikken via de roerende voorheffing op deze dividenden (voorheffing door de jaren heen geëvolueerd tot een tarief van 30%). Indien de aandelen van de werkvennootschappen daarentegen in een holding werden ingebracht, dan is er bij de dividenduitkering (tussen vennootschappen) geen belasting. Daarenboven, indien de aandeelhouder diezelfde winsten finaal wil incasseren, dan doet hij dit niet via een dividenduitkering uit de holding (met roerende voorheffing), maar wel door een vermindering van het fiscaal gestort kapitaal in de holding (belastingvrij). In de periode 2000 tot en met 2012 was de aanvalsroute van de fiscus op dergelijke structuuruitbouw hoofdzakelijk de belasting op meerwaarde. Men probeerde de meerwaarde die de bedrijfsleider realiseerde naar aanleiding van de inbreng van zijn aandelen in de holding te belasten, omdat dit abnormaal beheer van privé vermogen zou uitmaken. In ons fiscaal wetboek bepaalt artikel 90, 9° WIB 92 immers dat inkomsten uit abnormaal beheer van privé vermogen belastbaar zijn. Op enkele uitzonderingen na (mn. in extreme feitenconstellaties), delfde de fiscus doorgaans het onderspit in dit debat. Met de invoering van de vernieuwde antimisbruikbepaling (artikel 344 §1 WIB 92 nieuw) gooide de fiscus het over een andere boeg. De antimisbruikbepaling, ingevoerd bij wet van maart 2012, laat de fiscus onder bepaalde voorwaarden toe om een structuur, die met een doorslaggevend fiscaal motief is opgezet, naast zich neer te leggen. Dat fiscaal motief moet erin bestaan om een bepaalde heffing te omzeilen in strijd met het doel en de strekking van de fiscale wet. De fiscus zag brood in deze nieuwe antimisbruikbepaling om voornoemde structuuruitbouw aan te vallen, dan niet zozeer naar aanleiding van de inbreng in de holding, wel bij de kapitaalvermindering. Haar idee was dat in bepaalde gevallen de holding enkel was opgericht om de dividendbelasting te vermijden zoals hierboven omschreven. De fiscus hield dan voor dat in deze gevallen abstractie kon worden gemaakt van de holdingstructuur en dat de dividenduitkering uit de werkvennootschap geacht werden rechtstreeks aan de natuurlijke persoon te zijn uitgekeerd, waardoor er wel roerende voorheffing verschuldigd is (de vrijstelling roerende voorheffing speelt enkel voor dividenduitkeringen tussen vennootschappen, niet bij dividenduitkeringen aan natuurlijke personen). In een recente uitspraak bevestigt de rechtbank van eerste aanleg van Brugge (Rb. Brugge, 19 februari 2018) dat deze taxatiewijze technisch mogelijk is; het betrof een inbreng van aandelen in 1999 in een holding gevolgd door een cascade van kapitaalverminderingen in de periode 2005 tot en met 2013. De rechtbank aanvaardde de taxatie(wijze), althans voor de kapitaalverminderingen die na de inwerkingtreding van de vernieuwde antimisbruikbepaling in 2012 plaatsvonden. De kans is klein dat deze zaak hiermee eindigt; wellicht volgt er een beroepsprocedure voor het Hof van Beroep Gent. Wanneer een belastingplichtige naar aanleiding van een controle op de door hem doorgevoerde kapitaalvermindering door de fiscus zou worden geconfronteerd met dit vonnis, dan kan hieraan absoluut geen algemene draagwijdte verleend worden. De vernieuwde antimisbruikbepaling kan ons inziens op dergelijke gevallen niet van toepassing zijn indien: ofwel, er ook andere (niet fiscale) motieven hebben meegespeeld om de holding op te richten, en deze motieven achteraf ook geconcretiseerd werden (bv investering(en) via holding, successieplanning via holding, herkavelen van vermogen uit het ondernemingsrisico via holding, …) of er een valabele reden is wanneer deze motieven finaal niet geconcretiseerd werden; ofwel, er door de fiscus geen eenheid van opzet kan worden aangetoond tussen de oprichting van de holding en de latere kapitaalvermindering; die eenheid van opzet kan er ons inziens niet zijn, indien de winsten die door de werkvennootschap aan de holding worden uitgekeerd om de kapitaalvermindering uiteindelijk te financieren, gevormd zijn na de kapitaalinbreng; op het ogenblik van inbreng kan er dan immers geen (voor toepassing van de antimisbruikbepaling vereiste) intentie zijn geweest om dividendbelasting te ontwijken aangezien de uiteindelijk uitgekeerde winsten er nog niet waren bij inbreng; de rulingpraktijk volgt ons in deze analyse (oa. ruling 2017.815 dd. 12/12/2017) ofwel, er voor de kapitaalvermindering op zich (los van al het bovenstaande) een specifieke niet fiscale reden is, zoals de uittrede van een aandeelhouder, of een familiale herschikking, … ofwel, de inbreng van de aandelen dateert van voor de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling in 2012; ons inziens kan de nieuwe antimisbruikbepaling, die in het geval een opeenvolging van rechtshandelingen de fiscale besparing vormt, enkel worden toegepast indien de eerste handeling in de ketting dateert van na de inwerkingtreding van de antimisbruikbepaling; een belastingplichtige kan moeilijk fiscaal afgestraft worden op zijn handelingen op basis van een wet die op het ogenblik van zijn handelen niet bestond … … Het vonnis van 19 februari 2018 lijkt ons de technische toets niet te doorstaan, spijts er - naar verluidt - vrij scherpe feiten aan de basis lagen. In ieder geval kan dit vonnis door de fiscus niet zomaar worden mis/gebruikt in lopende of nieuwe controles. De belastingplichtige heeft doorgaans voldoende munitie om stevig van zich af te bijten.

Voir plus!

#13 Ontwerp van nieuw Wetboek Vennootschappen en Verenigingen - wat met bestaande vennootschappen?

15/06/2018 - Bram Stragier

De regering diende op 4 juni ll. het wetsontwerp van nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen bij de Kamer in. Wij lichtten eerder al de krijtlijnen van dit wetsontwerp toe (link). De finale tekst van het wetsontwerp is nu beschikbaar. Deze ligt grosso modo in de lijn van wat we toen meegaven. Noteer wel dat ook de VOF en de CommV als vennootschapsvorm blijven bestaan naast de NV, de BV, de CV, de maatschap (en de SE en de SCE). De link naar deze finale tekst is beschikbaar via de pop-up op onze website. De parlementaire behandeling van het wetsontwerp is voorzien voor het najaar en de finale stemming en publicatie ervan zal volgen tegen uiterlijk het jaareinde. Er worden geen belangrijke wijzigingen meer verwacht. Het past om stil te staan bij de impact van dit wetsontwerp op de bestaande vennootschappen. Daarbij wordt voorlopig abstractie gemaakt van de verenigingen, nu het wetboek hieromtrent vooral de bestaande regelgeving hercodificeert. Nieuwe vennootschappen De wet treedt in werking op 1 januari 2019. Dit houdt in dat vanaf dan geen vennootschappen meer mogen opgericht worden onder de vorm van een Comm. VA, een LV, een ESV, een CVOA, een CVBA en een beroepsvereniging. Na 1 januari 2019 mogen bestaande vennootschappen ook niet meer omgezet worden in één van voornoemde vormen. De statuten van nieuw opgerichte vennootschappen moeten vanaf dan in lijn zijn met de nieuwe wet. Bestaande vennootschappen Voor bestaande vennootschappen wordt de wet van toepassing vanaf 1 januari 2020, tenzij de algemene vergadering zou beslissen om zich al vroeger aan de bepalingen van de nieuwe wet te onderwerpen (opt-in mogelijkheid). Dit kan zijn nut bieden om per direct van de soepelere regelgeving te genieten (bv. meervoudig stemrecht, mogelijkheid van één aandeelhouder en van monistisch bestuur bij een nv, enz.). Indien men van deze opt-in mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is men verplicht om bij elke statutenwijziging van na 1 januari 2020 de statuten te conformeren aan de nieuwe wet. Dit moet uiterlijk gebeurd zijn tegen 1 januari 2024. De sanctie is bestuurdersaansprakelijkheid. Deze regeling inzake de inwerkingtreding voor bestaande vennootschappen lijdt enkel uitzondering voor de nieuwe, veel soepelere geschillenregeling (d.i. de gedwongen uittreding of uitsluiting uit vennootschappen). Deze nieuwe geschillenregeling is immers van onmiddellijke toepassing en geldt vanaf 1 januari 2019 ook voor bestaande vennootschappen. Dwingende bepalingen gelden automatisch Vanaf de datum dat de wet van toepassing wordt (resp. 1 januari 2019 voor nieuwe vennootschappen en 1 januari 2020 voor bestaande vennootschappen, of vroeger bij opt-in), gelden de dwingende bepalingen van de wet automatisch, ook al luiden de statuten (nog) anders. Statutaire voorschriften die in strijd zijn met de dwingende bepalingen van de nieuwe wet worden vanaf dan voor niet geschreven gehouden. Voorbeelden van dergelijke, dwingende bepalingen zijn onder meer: de benamingen en afkortingen van de resterende vennootschapsvormen: NV, BV, CV, CommV, VOF, SE, SCE en maatschap; het voorschrift dat BV’s slechts tot winstuitkering kunnen overgaan met inachtneming van de voorgeschreven nettoactief – en liquiditeitstest; het voorschrift dat het gestort gedeelte van het kapitaal en de wettelijke reserve van BV’s en CV’s van rechtswege omgezet worden in een ‘statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening’; de uitsluiting van arbeidsovereenkomsten voor bestuurders, leden van de raad van toezicht, en de directieraad; de verruiming van het begrip ‘dagelijks bestuur’; de regeling van belangenconflicten; het algemeen regime van de bestuurdersaansprakelijkheid; De dwingende bepalingen uit de nieuwe wet zijn ook van onmiddellijke toepassing op lopende overeenkomsten. Zo zullen bedingen waarbij de vennootschap een bestuurder exonereert of vrijwaart voor bestuurdersaansprakelijkheid van rechtswege nietig zijn. Aanvullende bepalingen Vanaf de datum dat de wet van toepassing wordt, zijn de nieuwe bepalingen van aanvullend recht van toepassing, tenzij de statuten de toepassing ervan uitsluiten. Opgeheven vennootschapsvormen Er is een specifieke overgangsregeling voor vennootschapsvormen die onder de nieuwe wet niet meer bestaan: Comm. VA, een LV, een ESV, een CVOA, een CVBA. Samengevat Het nieuwe ontwerp van Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is innovatief en ingrijpend. De wetgever heeft daarmee rekening gehouden en voorziet een relatief lange overgangsperiode. Men kan er evenwel voor kiezen om zich al vroeger aan de nieuwe wet te conformeren en zo sneller van de soepelere regelgeving te genieten; anticiperen en het vastklikken van modernere vennootschapsregels lijkt de boodschap. Voor bestaande vennootschappen die niet anticiperen, moet er in ieder geval vanaf uiterlijk 1 januari 2020 rekening gehouden worden met een reeks dwingende wetsbepalingen die vanaf dan zullen gelden.

Voir plus!

#10 Letter of Intent bij aandelenoverdrachten: niet vrijblijvend  

17/05/2018 - Bram Stragier

Bij de meerderheid van aandelentransacties tekenen partijen vooraf een Letter of Intent of Intentieverklaring (afgekort LOI). Soms spreekt men van Memorandum of Understanding of Principeakkoord. Deze vlag dekt vele ladingen. De LOI kan minimalistisch opgevat worden of al een blauwdruk zijn van de te sluiten deal. Een goed opgestelde Letter of Intent is de opstap naar een succesvolle overname. Wat komt er best in? - De al dan niet exclusiviteit van de onderhandelingen. De verkoper verbindt er zich al dan niet toe om gedurende een bepaalde periode de aandelen niet over te dragen aan derden en alleen met de kandidaat-koper te onderhandelen; - De vertrouwelijkheid van de onderhandelingen. Dit kan dubbel zijn. Het feit op zich dat er onderhandeld wordt, kan onderworpen worden aan een confidentialiteitsbeding. Daarnaast is het gebruikelijk dat de informatie die uitgewisseld wordt bij de onderhandelingen confidentieel blijft. Dit vraagt precieze afspraken over welke informatie wordt meegedeeld en op welke wijze, hoe eventuele tekortkomingen worden bewezen, en wat de sancties zijn bij overtreding; - Het toepasselijk recht en de wijze waarop eventuele geschillen geregeld worden. Verder is het aangewezen om concrete afspraken te maken over stappen die statutair, contractueel of wettelijk vereist zijn om de aandelen te kunnen overdragen. Zo kan een goedkeuringsbeding zijn opgenomen in de statuten van de vennootschap of kan de vennootschap verbonden zijn door overeenkomsten die een change of control clausule bevatten. Wat kan er nog in komen? Veelal gaan partijen verder dan het vastleggen van ‘het kader’ van hun onderhandelingen en tekenen ze al deels het traject om tot een overeenkomst te komen uit. Zo kunnen ze afspreken over de modaliteiten van een nog te voeren due diligence, maar ook over opschortende voorwaarden om tot een overeenkomst te komen (bv. het bekomen van een financiering). Kan er nog meer? Soms nemen partijen zo goed als alle bepalingen van de beoogde koopovereenkomst op. Ze spreken al over de prijs, de datum van overdracht, de garanties die de verkoper moet stellen, … . Hier kan betwisting rijzen over de precieze juridische draagwijdte van een dergelijke intentieverklaring. Dit varieert van een vrijblijvende Gentleman’s Agreement tot een overeenkomst die volledig juridisch afdwingbaar is en dus reeds tot de effectieve koop-verkoop leidt. Zo kunnen partijen ‘geruisloos’ contracteren, zonder het zelf te beseffen. Het opstellen van een prijsformule kan soms al een definitieve koopovereenkomst uitmaken, nu een akkoord over voorwerp en prijs juridisch gezien de koop kan tot stand brengen (tenzij partijen ook nog andere essentiële voorwaarden open laten voor verdere onderhandelingen). De prijs moet zelfs niet vastliggen, het volstaat dat deze ‘bepaalbaar’ is. De betwisting kan ook het gevolg zijn van verschillende verwachtingen van partijen. Wenst men zekerheid om onder bepaalde voorwaarden te kunnen (ver-)kopen, dan wordt er misschien beter gewerkt met aandelenopties. De juridisch verbindende kracht van het document, of van bepaalde delen ervan, moet dus geval per geval gemoduleerd worden. Om problemen achteraf te vermijden, moeten partijen op dezelfde golflengte zitten over de mate waarin men gebonden is. Wat als de deal niet doorgaat? Sowieso zijn partijen verplicht om de letter of intent ‘ter goeder trouw’ uit te voeren, zelfs als deze ‘niet bindend’ is. Een ontijdige of arbitraire verbreking van de onderhandelingen kan aanleiding geven tot aansprakelijkheid. De ene rechtbank is hier al strenger in dan de andere. Ook hierover kunnen partijen afspraken maken en de gevolgen van het eventueel afspringen van de deal regelen. Zo kunnen ze voorzien dat dit geen financiële gevolgen heeft, of slechts gevolgen heeft indien de exclusiviteit geschonden wordt, of indien één partij bewust informatie achtergehouden heeft. Samengevat Een goed opgestelde ‘letter of intent’ is de opstap naar een succesvolle overname. De LOI legt het framework van de onderhandelingen vast en moet de toekomstige deal faciliteren. Het is essentieel om aandacht te hebben voor de mate waarin de LOI als ‘bindend’ kwalificeert, en voor de eventuele scenario’s waarin de deal alsnog zou afspringen. Om verrassingen te vermijden, is het aangewezen om de prille wilsovereenstemming zorgvuldig af te lijnen en de Intentieverklaring door specialisten te laten opstellen.

Voir plus!

#11 Overname financiering - belangrijke fiscale game changer!

17/05/2018 - Stijn Lamote

De overname van een bedrijf (targetvennootschap) gebeurt zelden door een privé persoon. Meestal werkt de koper met een nieuwe of bestaande holding. Deze holding verwerft de aandelen van de targetvennootschap. De holding dient de koopprijs te betalen en gaat daarvoor vaak een financiering aan. Echt interessant is dat niet. De holding torst dan de (aftrekbare) financieringslast zonder dat daar in de holding direct (belastbaar) inkomen tegenover staat, terwijl de cash en (belastbare) winst wordt gemaakt in de onderliggende targetvennootschap. ‘Debt push down’ Precies daarom probeert men bij (fiscale) overnamemontages de financiering naar de targetvennootschap te duwen, de zogenaamde ‘debt push down’. Dergelijk scenario realiseert men doorgaans door - indien mogelijk - in de targetvennootschap een kapitaalvermindering of (super)dividenduitkering ten voordele van de holding te verrichten, en daartoe een banklening aan te gaan op het niveau van de targetvennootschap. De fondsen die vrijkomen uit deze lening stromen dan naar de holding die er de verkoper van de targetvennootschap (gedeeltelijk) mee betaalt. De financieringslast zit voor dat deel dan wel in de targetvennootschap die de cash en belastbare winst maakt. Er was tot voor kort niemand die er aan twijfelde dat de interesten die de targetvennootschap betaalde met oog op de uitbetaling van de dividenduitkering of kapitaalvermindering, fiscaal aftrekbaar waren in haren hoofde. Dit laatste is evenwel lang zo zeker niet meer. Er lijkt een rechtsspraakgolf op gang te komen die de fiscale aftrekbaarheid van interesten ter financiering van een dividenduitkering/kapitaalvermindering verwerpt, of toch minstens niet zomaar aanvaardt. Dit noopt tot de nodige omzichtigheid bij overnamemontages op basis van debt push down. Begin dit jaar velde het Hof van Beroep van Gent (Gent, 9 januari 2018) een arrest waarbij ze stelde dat er bij een superdividenduitkering door de targetvennootschap “geen aantoonbaar verband is tussen het enkele feit dat de onderneming via de overname verder kon blijven bestaan, en het verkrijgen of behouden van belastbare inkomsten” voor de target zelf. Iedere kost moet immers, wil hij fiscaal aftrekbaar zijn op basis van artikel 49 WIB 92, gedaan zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (de zogenaamde ‘finaliteitsvereiste’), en dat in hoofde van de vennootschap die de kost maakt. In hoofde van de targetvennootschap zag het Hof van Beroep van Gent geen mogelijke (belastbare) return op deze kosten, en daarom besliste ze tot de niet aftrekbaarheid van de interesten op de lening ter financiering van de superdividenduitkering. Los van het feit dat het in deze zaak ongetwijfeld om een specifiek geval ging, waren de geponeerde principes frappant en werden deze in de literatuur dan ook sterk bekritiseerd. Een kersvers arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen (Antwerpen, 8 mei 2018) komt tot dezelfde eindconclusie, maar laat meer opening. Het Hof start veelbelovend en stelt dat “de enkele beslissing tot kapitaalvermindering en dividenduitkering, die per definitie de aandeelhouders ten goede komt, niet ipso facto tot gevolg heeft dat de lening die hiervoor wordt aangegaan niet zou zijn gericht op het verkrijgen of behouden van inkomsten. Zulks zou immers leiden tot een nagenoeg principiële verwerping van de aftrek van intrestlasten van een lening aangewend voor de financiering van een kapitaalvermindering en dividenduitkering, wat onwettelijk is.” Toch aanvaardt het Hof de interestaftrek uiteindelijk niet omdat er geen voldoende bewijs is (voorgelegd) in het licht van artikel 49 WIB 92, en van de finaliteitsvereiste meer in het bijzonder. Er moet aangetoond worden dat de lening werd aangegaan om de belastbare inkomsten te verkrijgen in hoofde van de target. Het hof lijkt de bewijslast voor de belastingplichtige zeer scherp te zetten omdat de lening niet bij een bank werd aangegaan maar bij een verbonden vennootschap; mogelijk was er sprake van een fiscaal gunstige taxatie bij deze uitlenende vennootschap (bv door notionele interestaftrek). Het Hof maakt een vingerwijzing naar een bijdrage in de literatuur waar gesteld wordt dat in geval van belangrijke uitgaven er best een businessplan wordt opgesteld en wordt gedocumenteerd dat de vennootschap een redelijke verwachting heeft dat er belastbare inkomsten beoogd worden. Het Hof maakt ons inziens een principieel terechte analyse, maar geeft een stevige wake up call inzake bewijslast; wie een kost in aftrek wil brengen, dient het bewijs van de aftrekbaarheid te leveren en kan niet zomaar uitgaan van eigen vanzelfsprekendheden. Bij overnames is de financiering en de fiscale verwerking ervan essentieel. Indien een interestlast op de overnamefinanciering plots niet aftrekbaar zou blijken kan dit het welslagen van de overname hypothekeren. Voorkomen is beter dan genezen. Een vooraf gedocumenteerd dossier is van doorslaggevend belang. Voor bepaalde gevallen kan het nuttig zijn een ruling aan te vragen om hieromtrent zekerheid te bekomen.

Voir plus!

#9 B2B verhuur dan toch mogelijk met BTW … vanaf 1 oktober 2018

27/04/2018 - Stijn Lamote

De vastgoedmarkt lijdt op vandaag onder het feit dat bij verhuur geen btw verschuldigd is en daardoor de btw op nieuwbouw en vernieuwbouw van de verhuurde projecten niet te recupereren valt. België is in dit opzicht slecht gepositioneerd in vergelijking met andere Europese landen, wat nefast is naar het stimuleren van de nieuwbouw en vernieuwbouw van het vastgoedpatrimonium op Belgisch grondgebied. Naar aanleiding van het Zomerakkoord 2017 lag de beslissing op tafel om het mogelijk te maken om in B2B situaties optioneel toch met BTW te verhuren, waardoor de btw op investeringskosten wel in aftrek zou kunnen worden gebracht. Uiteindelijk werd dit in de tweede helft van 2017 geparkeerd. Nu, enkele maanden later, heeft de Ministerraad dan toch finaal de beslissing genomen om onder bepaalde voorwaarden B2B verhuur met BTW mogelijk te maken. Dit voorontwerp van wet ligt bij de raad van state. Wat zijn de voorwaarden? Een gebouw of een gedeelte van een gebouw kan vanaf 1 oktober 2018 (over de inwerkingtreding hierna meer) met btw worden verhuurd, onder navolgende essentiële voorwaarden: het pand wordt door de huurder “uitsluitend” gebruikt voor de economische activiteit (een met btw belaste activiteit of een van de btw vrijgestelde activiteit); een privé gebruik sluit het regime uit, tenzij het privé gebruik zich beperkt tot een afzonderlijk deel van het gebouw (wat oa. een afzonderlijke ingang veronderstelt) de huurder en de verhuurder opteren er gezamenlijk voor om het btw regime toe te passen Voor welke panden is dit regime optioneel van toepassing? De Btw optie is enkel mogelijk voor gebouwen waarvan de btw op de handelingen die hebben bijgedragen tot de oprichting van het gebouw of de renovatie ervan (tot nieuwbouw) ten vroegste opeisbaar is geworden op 1 oktober 2018. De btw bij de bouw of vernieuwbouw wordt opeisbaar wanneer er door een aannemer/leverancier in dit verband een factuur wordt uitgereikt, er omtrent de bouw/vernieuwbouw een voorschot wordt betaald en/of wanneer het gebouw is voltooid. Kort gesteld: indien een architect een factuur uitreikt voor studiewerk aan het gebouw op 1 augustus 2018 dan is de btw eisbaar voor 1 oktober 2018 en komt het pand, ook al is het pas gebruiksklaar begin 2020, volgens de voorliggende ontwerptekst niet in aanmerking voor het nieuw regime. Eenmaal je kunt vaststellen dat er in verband met het gebouw pas ten vroegste btw opeisbaar is geworden vanaf 1 oktober 2018, kan het gebouw voortaan altijd met btw worden verhuurd, ook bv in 2040, wanneer het gebouw al lang niet meer nieuw is. Wat betekent dit in concreto: dat de werkelijke inwerkingtreding van de btw invoering op B2B verhuur verderop ligt dan 1 oktober 2018, aangezien de datum opstart van het vastgoedproject bepalend is of het btw regime van toepassing is, maar de effectieve verhuur uiteraard maar kan plaatsvinden als het gebouw klaar is wat de facto minstens enkele maanden moet duren; het kan voor bepaalde projecten van belang zijn om te anticiperen en intelligent met deze inwerkingtredingsregels om te springen; dat voor investeringen die in het verleden zijn gedaan aan verhuurde panden de btw nooit alsnog recupereerbaar wordt door deze nieuwe regelgeving Het recht op aftrek & de herziening Wie zijn pand met btw kan verhuren kan ook recht op aftrek uitoefenen op de btw op de investeringen en kosten in dit verband en daardoor de investeringskost verlagen, en dus zijn rendement verhogen. Op basis van de reeds aanwezige btw principes zou men er vervolgens van uitgaan dat het recht op aftrek definitief verworven is als het pand 5 of 15 jaar (afhankelijk van de aard/omvang van de investeringen) met btw wordt verhuurd. Ook hier komt de wetgever enigszins verrassend uit de hoek door te stellen dat de herzieningstermijn van btw aftrek op basis van onroerende B2B verhuur 25 jaar bedraagt. Dit betekent dat als een hangar wordt gebouwd en in een eerste periode van 10 jaar wordt verhuurd aan een btw plichtig bedrijf om, vervolgens, het pand in de daaropvolgende 15 jaar te verhuren aan een privé persoon die er zijn oldtimer collectie in stalt, de btw op de investering alsnog voor 15/25en (in plaats van voor 5/15en) moet worden herzien. De invoering van de btw in de B2B onroerende verhuursector is zonder meer een economische verbetering te noemen. Er zijn mogelijk nog wat punten en komma’s die aan deze wetgeving zullen wijzigen, maar deze wetgeving komt er. Voor ieder project afzonderlijk wordt het impact van deze regelgeving best nu reeds in kaart gebracht. Op basis daarvan kan worden beslist ofwel dat voor deze B2B btw optie wordt gekozen (en wordt zo nodig de timing wat bijgestuurd) ofwel dat alsnog wordt gewerkt met andere btw optimalisatie technieken in de vastgoedsector (zoals bv. onroerende leasing).

Voir plus!

#8 Binnenkort is er een adequate bescherming van ‘bedrijfsgeheimen’.

27/04/2018 - Bram Stragier

Tegen 9 juni 2018 dient de overheid de Europese Richtlijn tot bescherming van know-how en bedrijfsgeheimen in het Belgisch recht te implementeren. Deze richtlijn dateert al van 8 juni 2016. Eind januari keurde de ministerraad daartoe een wetsontwerp goed, dat momenteel onderzocht wordt door de Raad van State. Daarna kan het ontwerp naar de kamer en treedt de wet – al dan niet geamendeerd – in werking. Het past om de innovaties van de nieuwe wetgeving in kaart te brengen, te meer er op vandaag enkel gefragmenteerde en onvolledige wetgeving tot bescherming van ‘bedrijfsgeheimen’ is. De doelstelling van de richtlijn is enerzijds om een Europese minimumstandaard voor bescherming van bedrijfsmatige know-how en geheimen te stellen, en anderzijds om de betrokken – uiteenlopende – wetgeving van de lidstaten te uniformiseren. De richtlijn motiveert dat bedrijven hun resultaten van innovatie dubbel moeten kunnen beschermen: enerzijds via intellectuele eigendomsrechten (octrooien, modellen, tekeningen en auteursrecht), en anderzijds via het afschermen van de toegang en het benutten van de kennis die waardevol is en niet algemeen gekend is. Dergelijke waardevolle know-how en bedrijfsinformatie, die niet openbaar gemaakt is, en bedoeld is om vertrouwelijk te blijven, worden ‘bedrijfsgeheimen’ genoemd. Dit verklaart de parallellen die de wet vertoont met de bestaande beschermingsmechanismen voor intellectuele eigendomsrechten. Het bedrijfsgeheim zelf wordt evenwel geen nieuw ‘intellectueel eigendomsrecht’. Wetsontwerp Het wetsontwerp biedt wel een nieuw en compleet arsenaal aan middelen en procedures om enerzijds bedrijfsgeheimen te beschermen en anderzijds op te treden tegen - ook nakende - schendingen van bedrijfsgeheimen: Voorlopige en conservatoire maatregelen ‘zoals in kort geding’ (bv. bevel tot staking of verbod op het gebruik of openbaarmaking van een bedrijfsgeheim, het verbod om inbreukmakende producten te procederen); Maatregelen ‘ten gronde’ (bv. definitief verbod op gebruik van een bedrijfsgeheim, corrigerende maatregelen (terugroeping, vernietiging); Parameters voor het verkrijgen een passende schadevergoeding, met mogelijkheid om deze als een forfaitair bedrag vast te stellen (winstderving, onrechtmatig genoten winst, morele schade, vergoeding die men als ‘royalties’ had kunnen vragen bij rechtmatig gebruik, e.d.m.); Openbaarmaking van rechterlijk uitspraken; Maatregelen ter bewaring van vertrouwelijkheid van bedrijfsgeheimen tijdens procedures zoals hoger omschreven (bv. beperking van de toegang tot documenten en rechtszittingen tot een beperkt aantal personen, anonimiseren van vertrouwelijke passages in vonnissen en arresten, opleggen van boetes en dwangsommen); Procedurele maatregelen (bevoegdheid van één gespecialiseerde Rechtbank van Koophandel per rechtsgebied van een Hof van Beroep). Het nieuwe wetsontwerp vult een lacune in de bestaande wetgeving en biedt bedrijven een adequaat arsenaal aan maatregelen en procedures om hun know-how en bedrijfsgeheimen te beschermen, en passend op te treden tegen inbreuken op hun vertrouwelijke bedrijfsinformatie. Deze specifieke tools waren er tot op vandaag niet. De wet moet imperatief voor 9 juni 2018 in werking treden, zodat de definitieve tekst in de komende weken zal beschikbaar worden. Wij houden u hieromtrent op de hoogte.

Voir plus!

#7 Lancering Lamote Stragier Advocaten

17/04/2018 - Bram Stragier, Stijn Lamote

Stijn Lamote en Bram Stragier starten met het nichekantoor Lamote Stragier Advocaten. Hun team van advocaten is gespecialiseerd in fiscaal recht, ondernemingsrecht en overnames. Beiden hebben een ruime ervaring in hun materies, werken al jaren samen en hebben een uitstekende reputatie opgebouwd. We nodigen u graag uit om kennis te maken met hun visie, team en specialisaties op lamotestragier.be. Het nieuwe kantoor is gevestigd aan de Pottelberg te Kortrijk, Engelse Wandeling 2K, 14V. U kan ze telefonisch bereiken via 056 897 601.

Voir plus!

Modernisering Insolventierecht: preview van de krijtlijnen

16/04/2018 - Bram Stragier

Op 21 april 2017 werd het ontwerp van wet tot modernisering van het insolventierecht ingediend. Het ontwerp is voluit getiteld “Wetsontwerp houdende invoering van het Boek XX ‘Insolventie van ondernemingen’, in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan Boek XX en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan Boek XX in het Boek I van het Wetboek Economisch recht”. Het ontwerp dient nog te worden goedgekeurd door het federaal parlement maar de inwerkingtreding is voorzien tegen uiterlijk 1 september 2017. Wij bezorgen u hierbij alvast de krijtlijnen van de voorgestelde wetswijzigingen. Uitbreiding van het faillissement Op vandaag is het faillissement voorbehouden voor handelaars in de juridische betekenis van het woord. Dit wordt uitgebreid naar alle ondernemingen en dus ook vrije beroepen, landbouwers en burgerlijke vennootschappen met handelsvorm. Op die manier wordt het toepassingsgebied ook gelijkgesteld met de Wet Continuïteit Ondernemingen. Elektronisch insolventiedossier Het insolventiedossier wordt geïnformatiseerd door de oprichting van het Centraal Register Solvabiliteit. Dit elektronisch dossier wordt beheerd door de orde van advocaten en zal toegankelijk zijn voor alle belanghebbenden (rechtbank, curator, schuldeisers en hun advocaten), mits betaling van een retributie. Schuldeisers zullen voortaan hun aangifte van schuldvordering kunnen bezorgen aan de curator in plaats van ter griffie en dit op elektronische wijze. Deze digitalisering dient niet alleen de administratieve lasten te verminderen maar tevens een betere opvolging van ondernemingen in moeilijkheden mogelijk te maken. Het Centraal Register Insolvabiliteit ging al op 1 april 2017 van start. Stimuleren minnelijk akkoord In het kader van de Wet Continuïteit Ondernemingen is het nu reeds mogelijk om een minnelijk akkoord te sluiten met een schuldeiser buiten een procedure gerechtelijke reorganisatie. Die mogelijkheid zal worden verstrekt door het akkoord te laten homologeren door de rechtbank. Op die manier zou dit een uitvoerbare titel opleveren, die in rechte kan worden afgedwongen in geval het akkoord niet vrijwillig wordt uitgevoerd. Fresh start De gefailleerde krijgt de mogelijkheid om lopende de faillissementsprocedure een nieuwe onderneming op te starten zonder de afwikkeling van het faillissement af te wachten. De schulden die niet kunnen worden terugbetaald in het faillissement kunnen worden kwijtgescholden en de opbrengst van de nieuwe activiteit zou buiten de boedel vallen. Achterliggende idee is om ondernemerschap aan te moedigen en een nieuwe start mogelijk te maken. Stil faillissement De mogelijkheid van een stil faillissement wordt ingevoerd. Een faillissement gaat in principe altijd gepaard met grote publiciteit. Dit heeft evenwel vaak een negatieve invloed op de waarde van de onderneming en de resterende activa, en is dus in het nadeel van zowel de gefailleerde als de schuldeiser. Nu zal er een precurator kunnen worden aangesteld die discreet overgaat tot de verkoop van de nog gezonde onderdelen aan meer marktconforme prijzen. Op die manier zou het finaal faillissement voorbereid worden. Wrongful trading Er zou een geheel van regels worden opgenomen inzake de aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschappen ingeval van wrongful trading, het ten onrechte verderzetten van een onderneming. Bedoeling is ondernemingen aan te zetten om zo snel mogelijk in te grijpen en niet pas wanneer dit onvermijdelijk is geworden. Juridisch technische verbeteringen Naast de inhoudelijke en praktische vernieuwingen, beoogt het ontwerp ook een coherente wetgeving, die de bestaande juridische onzekerheden wegwerkt. Zo zullen de nieuwe regels worden opgenomen in het Wetboek Economisch Recht als boek XX. Een aantal onduidelijkheden in de rechtspraak inzake faillissement en gerechtelijke reorganisatie worden uitgeklaard. De nieuwe regels inzake internationale insolventieprocedures op basis van de Europese Verordening 015/848 worden geïntegreerd. Gerechtelijke ontbinding van vennootschappen Daarnaast werd op 21 april 2017 tevens een wetsvoorstel ingediend inzake de gerechtelijke ontbinding van vennootschappen, dat reeds werd goedgekeurd in commissie. Op vandaag kunnen ‘slapende vennootschappen’, die reeds drie jaar geen jaarrekening hebben neergelegd gerechtelijk worden ontbonden. Dit zou voortaan al mogelijk worden nadat men één jaarrekening niet tijdig heeft neergelegd. De bestaande mogelijkheid voor regularisatie blijft wel behouden. Het laat zich evenwel raden dat dit de druk nog zal verhogen in vennootschappen waar zich een blokkering voordoet. De mogelijkheid tot gerechtelijke ontbinding zou ook worden uitgebreid naar o.m. vennootschappen waarvan de bestuurders niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Bovendien zou de procedure worden versoepeld aangezien de verwijzing naar de feitenrechter voortaan ambtshalve kan gebeuren door de kamers van handelsonderzoek. Daarnaast wordt een dwingende verplichting vooropgesteld voor de bestuurders om mee te werken met de gerechtelijk vereffenaar. Wordt hieraan geen gevolg gegeven, dan kan zelfs een beroepsverbod worden opgelegd. Het nieuwe insolventierecht zal een aantal interessante nieuwe mogelijkheden bieden voor zowel de schuldenaar in moeilijkheden als voor de schuldeisers. De ervaring leert dat in beide gevallen best zo spoedig mogelijk wordt gereageerd om optimaal van deze mogelijkheden gebruik te maken. Daarnaast wordt het nog belangrijker om de jaarrekening binnen de wettelijke termijnen neer te leggen.

Voir plus!

Modernisering ondernemingsrecht – exit concept ‘handelaar’

16/04/2018 - Bram Stragier

Het toepassingsgebied van het ondernemingsrecht wordt binnenkort op ingrijpende wijze uitgebreid. Waar dit klassiek voorbehouden was voor ‘handelaars’, zal straks de ruime notie ‘onderneming’ gehanteerd worden. Als ‘onderneming’ kwalificeren dan met name: iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een economische activiteit uitoefent; iedere rechtspersoon; iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid (met winstuitkeringsoogmerk). Dit houdt concreet in dat het ondernemingsrecht ook van toepassing wordt op onder meer vrije beroepers, natuurlijke personen die zaakvoerder of bestuurder zijn in een vennootschap, landbouwers, VZW’s, burgerlijke vennootschappen met handelsvorm en vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid. In onze nieuwsbrief d.d. 28 april 2017 wezen wij reeds op het voorontwerp van wet tot modernisering van het insolventierecht, waarbij het toepassingsgebied in diezelfde zin wordt uitgebreid voor het faillissement en de procedure gerechtelijke reorganisatie (zie artikel Modernisering van het insolventierecht: preview van de krijtlijnen). Inmiddels werd dit voorontwerp goedgekeurd als wet op 11 augustus 2017. Er is voorzien dat deze in werking treedt op 1 mei 2018. Vanaf dan zullen alle ‘ondernemingen’ een procedure WCO kunnen aanvragen of in voorkomend geval failliet kunnen verklaard worden. Deze lijn wordt nu doorgetrokken voor het overige handelsrecht, dat voortaan consequent ondernemingsrecht heet en in principe op alle ondernemingen van toepassing zal zijn. Het voorontwerp van wet hiertoe werd goedgekeurd op de ministerraad d.d. 20 juli jl. De definitieve versie moet nog gestemd worden door het parlement. Hierbij alvast de krachtlijnen: De bepalingen uit het klassiek Wetboek van Koophandel worden maximaal geïntegreerd in het Wetboek van Economisch Recht; De overige bepalingen van het Wetboek van Koophandel zouden ook uitgebreid worden naar ondernemingen. Dit zou onder meer een forse uitbreiding betekenen van het vrije bewijs in handelszaken (artikel 25 W.Kh., met onder meer het vermoeden van aanvaarding van niet-betwiste facturen). De impact hiervan mag niet onderschat worden, want dit heeft gevolgen voor zowat elke betwisting; Voor een aantal specifieke onderdelen van het ondernemingsrecht geldt een aangepast toepassingsgebied. Dit is onder meer het geval voor de regels inzake de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Zo kan een natuurlijke persoon als zaakvoerder van een vennootschap kwalificeren als onderneming maar zou hij niet gehouden zijn hiervoor een inschrijving te hebben. Voor de toepassing van het Boek III Wetboek Economisch Recht inzake de boekhouding van de ondernemingen geldt de definitie van ‘boekhoudplichtige onderneming’; De rechtbank van koophandel wordt omgeturnd naar de ondernemingsrechtbank, bevoegd voor onder meer alle betwistingen tussen ondernemingen. Er is voorzien dat de nieuwe wet in werking zou treden op 1 september 2018. Wij houden u vanzelfsprekend stipt op de hoogte. De modernisering van het ondernemingsrecht stoomt onverminderd verder. Het concept ‘handelaar’ verliest aan juridisch belang en wordt geabsorbeerd door het uniforme en ruime concept ‘onderneming’. Het belang voor de rechtspraktijk ligt voor de hand, nu deze wijziging niet alleen de klassieke wetboeken herschikt, maar ook ingrijpt op onder meer het bewijsrecht en de rechterlijke bevoegdheid.

Voir plus!