This website uses different kinds of cookies. You will find more information about the use of cookies in our cookie policy. You can adapt your cookie consent at any time via your browser settings. Further use of the website implies your consent to our cookie policy.

Accept

Newsletter registration

Fill in your email address below and automatically receive our newsletter in your mailbox!

Newsletter registration

Newsletters

Artikels fiscaal recht

21/12/2020 - Stijn Lamote

Ons kantoor publiceerde onlangs 2 artikels: • Geldsom in kader van minnelijke schikking aftrekbaar, of toch niet meer? • Grondwettelijk Hof verrast met oordeel over ‘nieuw feit’ voordeel alle aard bewoning Deze bijdragen verschenen in het vaktijdschrift Fiscale Actualiteit. Meer info?

Read more!

Nieuw wettelijk kader voor B2B-contracten

30/11/2020 - Jelle Derammelaere, Bram Stragier

In een B2B-context bestaat er klassiek een ruime vrijheid bij het opstellen van overeenkomsten. De wetgever heeft echter bij wet van 4 april 2019 deze vrijheid inzake bedingen tussen ondernemingen beperkt om misbruiken tegen te gaan. De regels inzake oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen en inzake misbruik van economische afhankelijkheid van een onderneming waren reeds eerder in werking getreden (resp. op 1 september 2019 en 1 juni 2020). Vanaf 1 december 2020 treden nu ook de nieuwe bepalingen in werking inzake de transparantie, interpretatie en onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen. Toepassingsgebied De nieuwe regels inzake contractuele bedingen zijn van toepassing op alle overeenkomsten gesloten, hernieuwd of gewijzigd vanaf 1 december 2020 tussen ondernemingen met uitzondering van overeenkomsten betreffende overheidsopdrachten en financiële diensten. Transparantie en interpretatie Het is niet verplicht om alles in een schriftelijk overeenkomst op te nemen, maar indien er schriftelijke, contractuele clausules zijn, moeten deze duidelijk en begrijpelijk te zijn. In dit kader zal men beoordelen op welke manier de contractvoorwaarden werden meegedeeld en/of deze fysiek toegankelijk waren en in begrijpelijke bewoordingen waren opgesteld. Het belangrijkste criterium is of de medecontractant al dan niet met kennis van zaken met de bedingen heeft ingestemd. Een aantal verschijningsvormen van ‘algemene voorwaarden’ die we in de praktijk soms ontmoeten, komt ons inziens in de gevarenzone. De wet bepaalt verder dat de overeenkomst onder meer kan worden geïnterpreteerd aan de hand van de marktpraktijken die er rechtstreeks verband mee houden. Onrechtmatige bedingen Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft evenwel bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven voortbestaan. Om te beoordelen of een beding al dan niet onrechtmatig is, maakt de wetgever gebruik van een algemene norm, een “zwarte” lijst van onrechtmatige bedingen en een “grijze” lijst van weerlegbare, ‘vermoedelijk’ onrechtmatige bedingen. De algemene norm (art. VI.91/3 WER) voorziet dat elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met één of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig is. Deze beoordeling betreft enkel het juridische evenwicht. Deze beoordeling heeft dus geen betrekking op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid tussen enerzijds de prijs en anderzijds de te leveren producten of diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn. Wat partijen overeenkomen, en tegen welke prijs, blijft in principe een zaak van de “vrije markt” De wet voorziet in een “zwarte” lijst van de bedingen die in elk geval onrechtmatig zijn (art. VI.91/4 WER): 1° te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil; 2° de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren; 3° in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming; 4° op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst. Bijvoorbeeld: een clausule die stelt dat een door de klant getekende bestelbon slechts verbindend wordt voor de leverancier na een schriftelijke orderbevestiging, dreigt onrechtmatig te worden bevonden ingevolge voormelde bepaling 1°. Of een beding dat stelt dat de gewone rechtbanken niet bevoegd zijn voor vorderingen van de klant, maar enkel arbitrage (voormelde bepaling 3°). De “grijze” lijst van onrechtmatige bedingen worden behoudens bewijs van het tegendeel vermoed onrechtmatig te zijn (art. VI.91/5 WER). Deze zijn de bedingen die ertoe strekken : 1° de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen; 2° een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn; 3° zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust; 4° op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen; 5° onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn; 6° de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken; 7° de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken; 8° in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden. De onderneming kan echter bewijzen dat deze bedingen niet onrechtmatig zijn, door bijvoorbeeld te verwijzen naar de aard van het product, de concrete omstandigheden rond de contractsluiting, de samenhang met andere bedingen, de handelsgebruiken van de sector, enz. ConclusieWaar het vroeger “vrijheid blijheid” was in het kader van overeenkomsten tussen ondernemingen, heeft de wetgever hieraan bepaalde limieten gesteld. Deze kunnen belangrijke gevolgen hebben voor u en uw onderneming. Zo kan bijvoorbeeld de door u voorziene stilzwijgende verlenging onrechtmatig worden bevonden conform VI.91/5 2° & 5° WER zodat de duur van uw overeenkomst aanzienlijk beperkt wordt. Het is dan ook van belang om grondig de algemene voorwaarden te checken op conformiteit met voormelde bepalingen, en om bij het opstellen van nieuwe overeenkomsten te waken over deze conformiteit. PS – Inwerkingtreding nieuw bewijsrecht De bepalingen inzake het nieuw bewijsrecht zijn in werking getreden vanaf 1 november 2020. Deze bepalingen hebben onmiddellijke werking, wat impliceert dat zij onder meer van toepassing zijn op overeenkomsten afgesloten vóór 1 november 2020 en geschillen die vóór deze datum werden ingeleid. Meer info via ons eerder artikel hieromtrent: http://www.lamotestragier.be/nl/nieuwsbrieven/detail/het-nieuwe-bewijsrecht-modern-en-soepel/P16

Read more!

Ambtshalve ontheffing VAA bewoning – negatieve uitspraak Grondwettelijk Hof – belastingplichtigen ve

27/11/2020 - Stijn Lamote

In een KB bij het Wetboek van Inkomstenbelastingen was vanaf 2012 de multiplicator 3,8 (in plaats van 1) ingeschreven bij de formule om een voordeel alle aard bewoning te berekenen. Hoven van beroep hebben deze formule ongrondwettelijk verklaard. Een van de vragen was of die ongrondwettelijkheid van een KB uitgesproken door een Hof van Beroep een nieuw feit uitmaakt op basis waarvan (voor 5 jaar terug) ambtshalve ontheffing kan worden verleend (artikel 376 WIB 92). Gisteren heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het gerechtvaardigd is om (1) de ongrondwettelijkheid van een KB uitgesproken door hoven en rechtbanken en (2) de ongrondwettelijkheid van een wet of decreet uitgesproken door het Grondwettelijk Hof anders te behandelen (dat laatste maakt per definitie een nieuw feit uit op basis waarvan ambtshalve ontheffing kan worden verleend). Het gelijkheidsbeginsel wordt volgens het Hof met andere woorden alvast niet geschonden wanneer de ongrondwettelijkheid van een KB vastgesteld door hoven en rechtbanken geen nieuw feit zou zijn dat in aanmerking komt voor de ambtshalve ontheffing. Belastingplichtigen lijken dus een eerste veldslag te verliezen in de discussies over de ambtshalve ontheffingen van voordelen alle aard gratis bewoning. Ze verliezen een veldslag, maar daarom nog geen oorlog. Het Hof spreekt zich immers enkel uit over de discriminatie en niet over de vraag of er al dan niet een nieuw feit is. Ambtshalve ontheffing kan daarnaast ook worden toegestaan op basis van een materiële vergissing (het feit dat een verkeerde multiplicator is toegepast); ook dat zou nog een ambtshalve ontheffing kunnen verantwoorden. Wordt vervolgd dus … Later hierover meer.

Read more!

Kaasroute tot 14.12.2020 - LAST CALL

23/11/2020 - Stijn Lamote

De kaasroute, waarbij schenkingen in het buitenland kunnen plaatsvinden zonder het verschuldigd worden van schenkingsrechten in Vlaanderen, gaat onherroepelijk dicht vanaf 15 december 2020 (14 dagen later dan voorzien). Ons team vermogensplanning staat ook in deze rechte lijn voor u klaar - stijn@lamotestragier.be .

Read more!

Einde schenkingen in Nederland - dringend actie vereist!

23/09/2020 - Stijn Lamote

Het is al eerder in onze nieuwsbrief verschenen: zoals het wetsvoorstel er vandaag bijligt, zijn er vanaf 1 december 2020 ook 3% schenkingsrechten verschuldigd bij schenkingen (van aandelen, beleggingsportefeuilles, maatschappen, kunst, …) in Nederland. Tot dan zijn er geen schenkingsrechten. Vanaf 1 december 2020 wordt fiscaal optimaal aan successieplanning doen met andere woorden weer iets moeilijker… Wie (al) een planning in gedachten heeft, rolt deze met andere woorden best uit voor 1 december 2020. De laatste weken kloppen dan ook heel wat ‘schenkers’ aan onze deur om hen te begeleiden in een successieplanning. Omdat een ‘gezonde’ successieplanning toch enige doorlooptijd vergt (intakebespreking, verzameling gegevens, ontwerp fase, besprekingsrondes, …) en de agenda’s van de Nederlandse notarissen behoorlijk onder druk staan, verzoeken wij u in voorkomend geval uw dossier zo vroeg mogelijk bij ons te introduceren en de deadline niet verder af te wachten.

Read more!

De bijzondere liquidatiereserve

17/09/2020 - Stijn Lamote

aangetekend schrijven van de fiscus De fiscus heeft de voorbije weken aan ongeveer 13.000 vennootschappen die destijds gebruik maakten van de tijdelijke overgangsmaatregel van de “bijzondere liquidatiereserve 2012-2014” een aangetekende brief verzonden. In de zomer van 2013 werd beslist om het tarief van liquidatieboni te verhogen naar 25% (ondertussen 30%). Om een massale liquidatie van vennootschappen te vermijden werd toen onmiddellijk voorzien in een (eerste) overgangsmaatregel, namelijk een systeem van “interne liquidatie” (artikel 537 WIB’92) waarbij vennootschappen de mogelijkheid verkregen om onder bepaalde voorwaarden de in het verleden opgebouwde reserves aan een aanslagvoet van 10 procent uit te keren. Later, in 2014, werd voorzien in een (tweede) permanente overgangsmaatregel, van toepassing vanaf het aanslagjaar 2015, namelijk het systeem van de “liquidatiereserve” (artikel 184 quater WIB’92) waarbij de reserves van kleine vennootschappen kunnen worden onderworpen aan een anticipatieve heffing van 10%. In 2015 werd vervolgens het systeem van de “bijzondere liquidatiereserve” (artikel 541 WIB’92) ingevoerd; dit voorzag in een systeem waarbij reserves van “kleine vennootschappen” met betrekking tot de aanslagjaren 2013 en 2014 retroactief onder voorwaarden (!) ook konden genieten van de anticipatieve heffing van 10%. Het zijn de vennootschappen die destijds gebruik maakten van dit laatste tijdelijke systeem van de “bijzondere liquidatiereserve 2012-2014”, die op heden worden aangeschreven door de fiscus. bezwaar binnen de 6 maanden…? Het aangetekend schrijven is een kennisgeving van inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier. In dit schrijven stelt de administratie dat de destijds betaalde anticipatieve heffing van 10 procent definitief verworven is door de Belgische Staat indien aan alle voorwaarden is voldaan. Indien niet cumulatief voldaan is aan alle voorwaarden voor de bijzondere liquidatiereserve stelt de administratie dat er binnen een termijn van 6 maanden een bezwaarschrift kan worden ingediend om een terugbetaling van de destijds betaalde anticipatieve heffing/bijdrage te bekomen. De administratie sluit de brief af met de volgende mededeling “deze kennisgeving belet ons echter niet om later de voorwaarden te onderzoeken en, indien nodig, de aangegeven bijzondere liquidatiereserve (gedeeltelijk) te verwerpen in de vennootschapsbelasting”. De administratie heeft blijkbaar vastgesteld in de praktijk dat er vaak gezondigd is geweest tegen de formaliteiten en voorwaarden die dienden vervuld te zijn voor de aanleg van de “bijzondere liquidatiereserve”, waardoor er eigenlijk geen recht is op de 10% heffing. Zo rijzen er kennelijk vaak problemen rond de voorwaarden van (1) de tijdige neerlegging van de jaarrekening, (2) het bijzonder aangifteformulier dat ook als stuk moest worden gevoegd bij de aangifte in de vennootschapsbelasting en (3) – wellicht vooral - de vraag of er al dan niet sprake is van een kleine vennootschap. De “kleine vennootschap voorwaarde” is immers essentieel voor de toepassing van het gunstregime, doch uit de praktijk blijkt dat het in deze context niet altijd eenvoudig te bepalen is of er al dan niet sprake is van verbonden vennootschappen, bijvoorbeeld omdat de vennootschap één of meer andere vennootschappen controleert of omdat er sprake is van een consortium omdat bijvoorbeeld de bestuursorganen voor het merendeel bestaan uit dezelfde personen. Alsdan kan een vennootschap die op zich klein is plots groot worden ingevolge geconsolideerde benadering. Naar eigen zeggen wil de administratie door middel van dit schrijven de belastingplichtigen nog eens de kans geven om dit opnieuw te bekijken. Mocht immers blijken dat de voorwaarden voor de bijzondere liquidatiereserve niet zijn voldaan kan de belastingplichtige alsnog zelf door middel van een bezwaarschrift de destijds betaalde heffing van 10 procent terugvorderen. Na het verstrijken van de bezwaartermijn zou de destijds betaalde heffing van 10 procent volgens de administratie voor de schatkist definitief verworven zijn en kan ze niet meer worden teruggevorderd. Wanneer dan later bij een controle zou worden vastgesteld dat de liquidatiereserve ten onrechte zou zijn aangelegd en uitgekeerd, moet dan volgens de administratie bovenop de destijds betaalde 10% roerende voorheffing (bij uitkering (?)) nog eens 30% roerende voorheffing worden betaald, wat dus neerkomt op een totale belastingdruk van 40 procent op de aangelegde bijzondere liquidatiereserve. Zonder de brief was er geen enkele kennisgeving van de inning van deze bijdrage, waardoor er geen bezwaartermijn liep en waardoor de belastingplichtige dus in principe 10 jaar de tijd had om deze bijdrage in geval van discussie terug te vorderen (dit is de gemeenrechtelijke verjaringstermijn). Door het aangetekend schrijven – of de kennisgeving van inning van de belasting op een andere wijze dan per kohier – begint de bezwaartermijn nu duidelijk te lopen. … of toch niet? Ons kantoor heeft echter een aantal kritische bedenkingen bij dit alles en acht het bijvoorbeeld onder meer betwistbaar dat de betaalde heffing na de bezwaartermijn van 6 maanden niet meer zou kunnen worden teruggevorderd. Volgens ons kantoor ontstaat er immers dubbele belasting wanneer (bij uitkering (?)) alsnog 30% zou moeten worden betaald op de destijds aangelegde bijzondere liquidatiereserve waarop reeds 10% is betaald, waardoor een ambtshalve ontheffing wegens dubbele belasting principieel mogelijk moet zijn. In geval van dubbele belasting begint de termijn van 5 jaar te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd die de dubbele belasting heeft doen ontstaan (in casu dan de extra roerende voorheffing van 30%). Daarnaast zijn er goede argumenten om te stellen dat niet om eender welke (formele) reden het regime van de liquidatiereserve nu nog kan ontzegd worden. evalueren en anticiperen… Los van deze bedenkingen is het echter wel duidelijk dat belastingplichtigen die dergelijk schrijven hebben ontvangen een praktisch grote kans lopen op controle van de destijds aangelegde bijzondere liquidatiereserve. In die zin is het wel raadzaam om in dossiers nu proactief na te gaan of alle voorwaarden voorzien in artikel 541 WIB’92 destijds werden vervuld. Mocht een liquidatiereserve destijds niet correct aangelegd zijn geweest, kan vervolgens nagedacht worden of de belastingplichtige in kwestie een bezwaar al dan niet opportuun acht.

Read more!

Meer duidelijkheid over timing einde kaasroute

07/07/2020 - Stijn Lamote

Wij berichtten u vorige week over het einde van de ‘kaasroute’. Zie nieuwsbrief d.d. 26.06.2020: ‘Einde van de kaasroute op 20 juli 2020?’ Deze namiddag 7 juli 2020 heeft de Kamercommissie Financiën het voorstel om deze route te sluiten effectief aangenomen. De door de commissie aangenomen tekst voorziet deze sluiting evenwel pas vanaf 1 december 2020. De tekst moet nu nog naar de plenaire vergadering; de kans dat de tekst daar niet aangenomen wordt, is bijzonder klein geworden. Tot 30 november 2020 zouden schenkingen in Nederland met andere woorden zonder heffing van schenkingsrechten mogelijk blijven.

Read more!

Einde van de kaasroute op 20 juli 2020?

26/06/2020 - Stijn Lamote

Schenkingen van roerende goederen gebeuren vaak in het buitenland, meestal in Nederland (vandaar de kaasroute). Daar kan men immers schenken zonder dat er schenkingsrechten verschuldigd zijn; indien er dan geen overlijden plaatsvindt binnen de drie jaar is er definitieve bevrijding van successierechten op het geschonken vermogen. Er is nu een wetsvoorstel om deze kaasroute te sluiten. Buitenlandse schenkingsaktes zouden ook in Vlaanderen moeten worden geregistreerd, en dus aanleiding geven tot schenkingsrechten, vooraleer ze van enig nut zijn in het kader van successieplanning. Naar verluidt zou er een politieke meerderheid zijn om dit wetsvoorstel in wet om te zetten. De wet zou in werking treden 10 dagen na publicatie in het staatsblad. Praktisch gezien zou de kaasroute met andere woorden tegen ongeveer 20 juli kunnen gesloten zijn. Wie nog een schenking wil doen in Nederland, vat dus best snel de koe bij de horens.

Read more!

Game changer bij kapitaalverminderingen en dividenduitkeringen – Cassatie verduidelijkt bewijskader

05/06/2020 - Stijn Lamote

De tijd dat zomaar aanvaard wordt dat alle kosten die voortvloeien uit het bestaan zelf van een vennootschap steeds aftrekbaar zijn, is al even voorbij. De laatste jaren heeft het Hof van Cassatie meermaals gesteld dat, om aftrekbaar te kunnen zijn, de vennootschap moet kunnen aantonen dat de kosten gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, dit is de zogenaamde finaliteitsvoorwaarde. Om aftrekbaar te kunnen zijn moeten de kosten met andere woorden worden gemaakt in het belang van de vennootschap en de vennootschap moet dit kunnen bewijzen (artikel 49 WIB 92). In deze context lokt de administratie de laatste jaren verschillende discussies uit over deze finaliteitsvoorwaarde om de volgens haar excessieve kostenaftrekken binnen vennootschappen halt toe te roepen. Te denken valt aan de verschillende vastgoedzaken waarbij bijvoorbeeld door de administratie wordt beweerd dat een appartement aan zee of een woning die ter beschikking wordt gesteld aan de bedrijfsleider deze finaliteitstoets niet zou doorstaan (ondertussen werd de aftrek evenwel reeds meermaals in de rechtspraak toegestaan op basis van de meerwaardetheorie of bezoldigingstheorie). Ook bij de FBB-zaken werd door de fiscus beweerd dat de finaliteitsvoorwaarde niet zou zijn voldaan (Cassatie oordeelde hier evenwel anders over). De finaliteitstoets wordt in dit kader ook gecontroleerd in dossiers waarbij financieringskosten (interestkosten van een lening) worden gemaakt om bijvoorbeeld te kunnen overgaan tot een kapitaalvermindering of dividenduitkering. In twee pilootdossiers, waaronder de zaak van de nv Nyrstar, nam de BBI het standpunt in dat dergelijke financieringskosten onmogelijk de finaliteitstoets kunnen doorstaan en dus nooit aftrekbaar kunnen zijn. Standpunt dat uiteraard veel stof liet opwaaien in de rechtsleer. Het Hof van Beroep te Gent en het Hof van Beroep te Antwerpen gaf de BBI evenwel in deze twee pilootdossiers twee keer gelijk en weigerde dus de aftrek van de financieringskosten omdat de finaliteitsvoorwaarde niet zou zijn bewezen. In de zaak van de nv Nyrstar heeft het Hof van Cassatie echter recent een zeer duidelijk standpunt ingenomen in deze problematiek. In een arrest van 19 maart 2020 heeft het Hof van Cassatie klaar en duidelijk beslist dat dergelijke financieringskosten wel degelijk aftrekbaar kunnen zijn, doch dat het daarvoor aan de vennootschap toekomt te bewijzen dat de interestlasten - en dus niet de kapitaalvermindering of de dividenduitkering zelf! (daarvan kan de fiscus de opportuniteit niet beoordelen) - voldoen aan de finaliteitsvoorwaarde. De loutere omstandigheid dat een vennootschap op het ogenblik dat zij betalingen moet uitvoeren, over onvoldoende liquiditeiten beschikt en bijgevolg een lening aangaat om die betalingen uit te voeren, volstaat volgens het Hof van Cassatie evenwel niet als bewijs. Het Hof geeft als voorbeeld dat het afdoende bewijs wel kan geleverd worden door aan te tonen dat de lening werd aangegaan om het verlies te voorkomen van activa die worden gebruikt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De BBI krijgt dus ongelijk alwaar zij de mening is toegedaan dat dergelijke financieringskosten sowieso niet aftrekbaar zijn. De BBI krijgt ook ongelijk alwaar zij de opportuniteit van een kapitaalvermindering of dividenduitkering zou mogen beoordelen, dat is de vrije keuze van de aandeelhouders van de vennootschap. De invulling van de bewijslast is dus (andermaal) cruciaal, en een verwittigd man is er twee waard. Overdenk en documenteer bij een kapitaalvermindering en/of dividenduitkering de financieringsstrategie (bv documenteren en notuleren dat het aangaan van een lening nodig is om de liquiditeitsbuffer te kunnen behouden en/of inkomstengenererende activa niet van de hand te moeten doen)! Desgevallend kun je dit preventief laten screenen.

Read more!