Ce site web utilise différents types de cookies. Vous trouverez plus d'informations sur l'utilisation des cookies dans notre cookie policy. Vous pouvez à tout moment adapter votre consentement aux cookies via les paramètres de votre navigateur. La poursuite de l'utilisation du site web implique votre consentement à notre cookie policy .

J'accepte

Abonnement à la newsletter

Saisissez votre adresse e-mail ci-dessous et recevez nos newsletters automatiquement dans votre boîte de réception !

S'abonner à la newsletter

Newsletters

Intern liquideren – een opportuniteit of net niet …?

13/11/2013 - Stijn Lamote, e.a.

De liquidatieheffing is verschuldigd op hetgeen aandeelhouders uit de vennootschap verkrijgen ter gelegenheid van de liquidatie van de vennootschap evenwel onder aftrek van het fiscaal gestort kapitaal. Hoe hoger het fiscaal gestort kapitaal hoe beperkter met andere woorden de berekeningsgrondslag voor de liquidatieheffing. Het tarief van de liquidatieheffing bedraagt op vandaag 10%; met ingang van 1 oktober 2014 stijgt het tarief evenwel naar 25%. Indien de aandeelhouder een vennootschap is, dan is er in de praktijk vaak vrijstelling. Artikel 537 WIB 92 voorziet voor vennootschappen (zeer) tijdelijk in de mogelijkheid belaste reserves - die door de algemene vergadering goedgekeurd werden uiterlijk eind maart 2013 – om te zetten in fiscaal gestort kapitaal; bij die gelegenheid dient onmiddellijk roerende voorheffing tegen een tarief van 10% te worden betaald op de omgezette reserves. Een kapitaalvermindering mag evenwel ten vroegste in het 5e jaar volgend op de interne liquidatie plaatsvinden, zoniet gaat het voordeel (progressief) verloren. De uiteindelijke doelstelling van deze operatie is met andere woorden het anticiperen op de verhoogde liquidatieheffing vanaf 1 oktober 2014. Op het eerste gezicht biedt deze maatregel mogelijkheden voor alle vennootschappen met belaste reserves, maar toch biedt het nut in ieder geval de opportuniteit, los van de technische kant van zaken, individueel te benaderen. Een eerste aandachtspunt is het feit dat de vennootschap met een onmiddellijke cash-out geconfronteerd wordt ten belope van 10% van haar belaste reserves. Indien de vennootschap en op vandaag een mooi rendement behaalt op haar eigen vermogen en niet binnen al te korte termijn zal worden geliquideerd of een kapitaalvermindering voor ogen heeft, dan moet de vraag gesteld worden of de belastingbesparing van 15% op de liquidatieheffing op lange termijn wel opweegt tegen de onmiddellijke cash out en het onmiddellijk verlies aan rendement daarop. Dit vergt een individuele benadering. In de praktijk is het nuttig in dergelijke gevallen overigens ook na te denken over de verdere uitbouw van een holdingstructuur als alternatief, inzonderheid door het onderbrengen van de thans privaat aangehouden aandelen in een holding. De aandelen kunnen in de holding worden ingebracht aan hun werkelijke waarde, hetgeen betekent dat niet alleen rekening wordt gehouden met de substantiële waarde van de vennootschap maar ook met eventuele latente meerwaarden en/of dat een waarde aan de goodwill wordt vastgekoppeld. Naar aanleiding van de inbreng van de aandelen in de holding wordt voor de werkelijke waarde van de ingebrachte aandelen, fiscaal volstort kapitaal gevormd in de holdingvennootschap. Hiermee wordt de in het begin van het artikel beoogde doelstelling - anticiperen op een liquidatieheffing en de verhoging van het toepasselijk tarief - eveneens bereikt; maar er is meer, ook de winsten van 2012 / 2013 alsmede latente meerwaarden en eventueel goodwill worden vastgeklikt in het fiscaal gestort kapitaal waardoor er geoptimaliseerd wordt op vlak van liquidatieheffing; immers, de exploitatievennootschap kan op termijn vereffend worden en doordat de aandeelhouder de holdingvennootschap is, is er vrijstelling van liquidatieheffing; in een latere fase zou ook de holding kunnen worden vereffend naar de private aandeelhouders toe, maar door het gevormd fiscaal gestort kapitaal zal de berekeningsgrondslag voor de liquidatieheffing beperkt(er) zijn. Een holdingstructuur heeft daarbovenop nog andere opportuniteiten; de holdingvennootschap kan worden uitgebouwd tot investeringsvehikel en/of tot familiaal controlevehikel. Een tweede aandachtspunt is dat de omzetting van belaste reserves in kapitaal – en daardoor de vorming van een groot kapitaal - in bepaalde vennootschappen weinig economische meerwaarde biedt, wel integendeel. Het heeft weinig nut dat vennootschappen van bv. vrij beroepers een aanzienlijk kapitaal hebben. Vanuit deze vaststelling groeit de praktijk om deze vennootschappen in bepaalde gevallen belast partieel te splitsen door oprichting van een zustervennootschap met inbreng van de beleggingen uit de bestaande vennootschap. De zustervennootschap wordt uitgebouwd als een patrimoniumvennootschap. Door de partiële splitsing belast te laten verlopen (hetgeen kan door de splitsing niet onder de vennootschapsrechtelijke definitie van partiële splitsing te laten vallen) is er ook sprake van een discontinue splitsing, zowel op boekhoudkundig als op fiscaal vlak. Dit betekent enerzijds dat er op de afgesplitste reserves 10% liquidatieheffing verschuldigd is, anderzijds dat in de patrimoniumvennootschap ten belope van de ingebrachte waarde fiscaal gestort kapitaal wordt gevormd. Bijkomend voordeel van dit alternatief is dat meer dan alleen maar uiterlijk op 31 maart 2013 door de algemene vergadering goedgekeurde reserves kunnen worden vastgeklikt; de reserves kunnen worden vastgeklikt zoals deze bestaan op het ogenblik van de partiële splitsing. De interne liquidatie kan in bepaalde gevallen ongetwijfeld nut hebben zo een liquidatie binnen een aantal jaar in de pipeline zat en de vennootschap over overtollige liquide middelen beschikt. In bedrijven going concern is dat wellicht veel minder het geval en kan er best ook worden nagedacht over alternatieven voor het verzekeren van de fiscale toekomst. Bepaalde van die alternatieven hebben immers veel verstrekkender positieve fiscale en andere gevolgen dan de systematiek van de interne liquidatie.

Voir plus!

Change of control-clausules in zakelijke contracten - bezint eer je begint

08/07/2013 - Bram Stragier

In commerciële overeenkomsten zoals financieringsovereenkomsten en joint ventures, en in langetermijncontracten van onder meer handelshuur, concessie- of distributieovereenkomsten, worden vaak zgn. controlewijzigingsclausules of change of control-clausules opgenomen. Dit zijn bedingen die aan de begunstigde bepaalde rechten toekennen wanneer de controle over een bepaalde vennootschap wijzigt. Zij vervullen in de regel één van volgende twee functies: ofwel zijn zij geconcipieerd als beschermingsconstructie tegen vijandige overnames - waarop we hier niet ingaan - ofwel beogen zij te verzekeren dat één of meer specifieke personen voor de duur van een commerciële overeenkomst de feitelijke zeggenschap over een contractspartij-vennootschap behouden. Ze geven doorgaans aan de begunstigde het recht om contractuele voorwaarden van een overeenkomst te wijzigen of om het contract zelfs eenzijdig op te zeggen, wanneer iemand anders het roer zou overnemen bij de medecontractant. Voor de interpretatie van dergelijke clausules is de draagwijdte van het begrip controle uiteraard van belang. Controle wordt in het Wetboek van Vennootschappen omschreven als de bevoegdheid om in rechte of in feite een beslissende invloed uit te oefenen enerzijds op de aanstelling van de meerderheid van de zaakvoerders of bestuurders, of anderzijds op de oriëntatie van het beleid. Tenzij de overeenkomst het begrip ‘controle’ anders invult, zal deze algemene definitie gelden. Zo werkt een controlewijziging bij een moedervennootschap door op het niveau van de dochter die een controlewijzigingsclausule heeft onderschreven. Partijen kunnen het begrip nog ruimer invullen door bij voorbeeld ook de overdracht van een minderheidsparticipatie als ‘controlewijziging’ te kwalificeren. Het tweede sleutelbegrip dat bijzondere aandacht vergt, is de wijziging van controle. Een brede waaier van verrichtingen komt hiervoor in aanmerking, zoals o.m. fusie of splitsing, kapitaalverhoging, beursnotering en IPO’s waarbij aandelen openbaar worden uitgegeven, etc. Ook aandeelhoudersovereenkomsten of statutenwijzigingen kunnen een controlewijziging met zich meebrengen, bij voorbeeld wanneer categorieën van aandelen worden gecreëerd en daardoor de beslissende invloed om de meerderheid van het bestuur te benoemen verandert. De in de praktijk meest voorkomende vorm van controlewijziging blijft uiteraard de gehele of gedeeltelijke overdracht van aandelen. Opdat controlewijzigingsclausules aangegaan door een NV of Comm.VA rechtsgeldig zouden zijn, dienen strikte voorwaarden te worden nageleefd. De wetgever houdt bij deze vennootschapsvormen immers steeds de principiële, vrije overdraagbaarheid van aandelen voor ogen. Zo moeten controlewijzigingsclausules volgens artikel 556 W. Venn. goedgekeurd worden door de algemene vergadering. Het goedkeuringsbesluit moet voorts neergelegd worden ter griffie en gepubliceerd worden vóór het tijdstip waarop de vennootschap de mededeling zou ontvangen van de FSMA dat een openbaar overnamebod op haar aandelen uitgebracht is. Omtrent deze vereisten heerst evenwel wat onenigheid in de rechtsleer. Hoewel de wettekst dit onderscheid niet maakt, lijkt de meerderheidsopvatting om pragmatische redenen aan te nemen dat de voorwaarde van goedkeuring door de algemene vergadering enkel geldt als de controlewijzigingsclausule een beschermingsconstructie is tegen (vijandige) overnames. Ook de verplichting om het besluit neer te leggen en te publiceren zou enkel bestaan in het kader van een openbaar overnamebod, wat dan wel weer uit de wettekst voortvloeit. Volgens deze meerderheidsopvatting kan een NV of een Comm.VA die geconfronteerd wordt een controlewijzigingsclausule in een commerciële overeenkomst daaraan niet ontsnappen door zich te beroepen op de niet-naleving van de hoger omschreven voorwaarden van artikel 556 W. Venn. Wanneer men echter de begunstigde is van een dergelijke clausule en men geen enkel risico wil lopen, lijkt het aangewezen om minstens de eerste geldigheidsvoorwaarde van artikel 556 W. Venn. na te leven, en dus één en ander te laten valideren door de algemene vergadering van de medecontractant. Dit geldt des te meer in joint ventures waar dergelijke clausules cruciaal kunnen zijn. Voor niet-publieke vennootschappen zal de tweede geldigheidsvoorwaarde nooit aan de orde zijn. Voormelde regeling is niet van toepassing op de BVBA, CVBA en de andere vennootschapsvormen. Voor dergelijke vennootschappen moeten controlewijzigingsclausules enkel voldoen aan de algemene geldigheidsvoorwaarden voor iedere overeenkomst. Controlewijzigingsclausules in commerciële overeenkomsten verzekeren de betrokkenheid van bepaalde fysieke personen bij de uitvoering van overeenkomsten. Wanneer men de begunstigde is van een dergelijke clausule en men elk risico op nietigverklaring wil vermijden, houdt men bij een Comm.VA best de principiële geldigheidsvoorwaarden van artikel 556 W. Venn. voor ogen te weten de goedkeuring door de algemene vergadering. Het is ook zaak om controlewijzigingsclausules niet lichtzinnig te onderschrijven, aangezien zij ingeval van een controlewijziging aanleiding kunnen geven tot het verliezen of het stopzetten van belangrijke contracten of kredieten; zij kunnen aldus de waarde van de vennootschap drukken.

Voir plus!

Aftrek voor octrooi-inkomsten : versoepeling voor kmo’s in de maak!

24/06/2013 - Stijn Lamote, e.a.

In het kader van haar relanceplan 2012 nam de regering reeds in juli 2012 de beslissing de voorwaarden voor de toepassing van de aftrek voor octrooi-inkomsten aanzienlijk te versoepelen voor KMO’s. Het wetsontwerp houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende duurzame ontwikkeling voorziet thans dat de aftrek voor octrooi-inkomsten voor KMO’s voortaan zou worden uitgebreid tot al haar octrooien, aanvullende beschermingscertificaten of licentierechten. KMO’s zouden hiertoe niet langer over een onderzoekscentrum moeten beschikken waarin deze octrooien worden ontwikkeld of verbeterd. Dit opent heel wat perspectieven, zowel voor bestaande KMO’s als starters! Huidige regeling Een octrooi houdt het recht in om tijdelijk een bepaalde uitvinding exclusief te exploiteren binnen een bepaald grondgebied. De aftrek voor octrooi-inkomsten maakt het mogelijk voor een Belgische vennootschap of inrichting 80% van haar (werkelijke of hypothetische) inkomsten uit octrooien en/of aanvullende beschermingscertificaten in mindering te brengen van de winst van het belastbaar tijdperk. Het belastingtarief op deze inkomsten wordt hierdoor verminderd van in principe 34% tot minstens 6,7%! Opdat een Belgische vennootschap of inrichting kan genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten moet wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Zo dient de betrokken vennootschap of inrichting onder de huidige regeling te beschikken over een onderzoekscentrum waar het octrooi geheel of gedeeltelijk wordt ontwikkeld of, indien verworven, wordt verbeterd. Het onderzoekscentrum dient binnen de vennootschap bovendien minstens een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid uit te maken. Opdat een afdeling binnen een onderneming kan worden gekwalificeerd als een bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid moet ze technisch onafhankelijk kunnen functioneren door o.m. gespecialiseerd personeel te werk te stellen, te beschikken over een eigen ruimte voldoende uitgerust met gespecialiseerd onderzoeksmateriaal alsook eigen financiering en afzonderlijke financiële informatie. Met deze voorwaarde werd beoogd tewerkstelling en intern onderzoek en ontwikkeling door de betrokken vennootschap te stimuleren alsook misbruik te voorkomen door te voorzien in een zekere substantie. In de praktijk blijkt deze voorwaarde echter vaak een struikelblok, inzonderheid voor KMO’s en startende ondernemingen. Vaak beschikken zij immers niet over de mogelijkheden (budgettaire ruimte, know how, …) om zelf een onderzoekscentrum uit te bouwen dat bovendien kwalificeert als bedrijfsafdeling of tak van werkzaamheid. Zo kan een onderneming actief zijn in een sector waar onderzoek en ontwikkeling van nieuwe processen en producten noodzakelijk is, maar zelf niet over de mogelijkheid beschikken om een onderzoekscentrum in de vorm van een bedrijfstak of bedrijfswerkzaamheid uit te bouwen. Indien de onderneming het onderzoek volledig uitbesteedt aan een extern onderzoekscentrum draagt zij hiervan de kosten en komen de resultaten haar toe; de onderneming kan in dat geval echter niet genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten. Ondanks haar flexibele aanpak ten aanzien van deze voorwaarde kan ook de rulingpraktijk ter zake niet steeds een oplossing bieden. Relanceplan 2012 De regering was zich bij de opmaak van het relanceplan 2012 bewust van deze problematiek. Met haar relanceplan 2012 wenst de regering de Belgische economie duurzaam te doen heropleven en de competitiviteit van de Belgische ondernemingen te versterken. De regering erkent hierbij dat KMO’s een essentiële motor zijn van de Belgische economie en wenst KMO’s dan ook bijkomend te ondersteunen, onder meer in haar onderzoek en ontwikkeling door een versoepeling van de aftrek voor octrooi-inkomsten. Wetsontwerp Het wetsontwerp houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende duurzame ontwikkeling concretiseert voormelde op opmerkelijke wijze door te voorzien in een volledige afschaffing van de vereiste van een onderzoekscentrum voor kleine vennootschappen. Kleine vennootschappen in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen zouden voortaan niet langer aan de vereiste van onderzoekscentrum moeten voldoen om de aftrek voor octrooi-inkomsten te kunnen claimen. Het volstaat dat zij beschikken over octrooien, aanvullende beschermingscertificaten of licenties daarop die in aanmerking komen voor de aftrek voor octrooi-inkomsten. Terugkomend op ons voorbeeld van daarnet zal de betrokken onderneming onder de nieuwe regeling toch de aftrek voor octrooi-inkomsten kunnen claimen ook al besteedt zij het onderzoek uit aan een extern onderzoekscentrum of wordt er (voorlopig) geen verder onderzoek gevoerd. Voorwaarde is wel dat de onderneming kwalificeert als kleine vennootschap in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen voor elk aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk waarin de vennootschap de aftrek voor octrooi-inkomsten wenst te claimen. De volledige afschaffing van de vereiste van onderzoekscentrum is opmerkelijk aangezien op die manier niet langer de initiële doelstelling van tewerkstelling en intern onderzoek en ontwikkeling wordt nagestreefd, alsook eventuele misbruiken op die manier niet zijn uitgesloten (wat echter zou indruisen tegen de doelstelling van deze wetgeving). Bovendien maakte de Raad van State in haar advies bij het wetsontwerp gewag van een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel wegens een niet-verantwoord verschil in behandeling tussen “kleine vennootschappen” enerzijds en “niet-kleine vennootschappen” anderzijds. In de Memorie van Toelichting tracht men deze kritiek te counteren door aan te geven dat deze maatregel kadert in een geheel van maatregelen ten voordele van kleine vennootschappen, maar dat het de bedoeling blijft de geest van de initiële maatregel, het stimuleren van vennootschappen tot ontwikkeling binnen hun eigen onderzoekscentra voor het creëren en verbeteren van octrooien, maximaal te behouden. Het wetsontwerp werd op vandaag reeds aangenomen door de Kamer en dient nog te worden goedgekeurd door de Senaat. Verwacht wordt dat het wetsontwerp geen wezenlijke veranderingen meer zal ondergaan. De wijzigingen zouden in werking treden vanaf aanslagjaar 2014.

Voir plus!

Wetsontwerp tot wijziging van het pandrecht - nieuw wapen tegen insolventie?

21/06/2013 - Bram Stragier, e.a.

Er is een belangrijke wetswijziging op til met betrekking tot het pandrecht. Het wetsontwerp tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen werd op 18 april 2013 door de Senaat geamendeerd en terug naar de Kamer gezonden. Binnenkort wordt het wetsontwerp dus definitief gestemd en treedt het in werking. Deze op til zijnde wetwijziging biedt een aantal opportuniteiten om zich preventief tegen de insolventie van zijn debiteur te wapenen. Het wetsontwerp maakt komaf met de pluraliteit aan regels die de zakelijke zekerheden op roerende goederen beheersen. Voortaan zijn alle soorten pand - vuistpand, pand op een schuldvordering, pand op de handelszaak, en zelfs het eigendomsvoorbehoud en het retentierecht - aan een uniform regime onderworpen. Dit betekent dat de wet van 25 oktober 1919 betreffende de inpandgeving van een handelszaak verdwijnt en dat het ‘pand op de handelszaak’ haar specifieke statuut verliest. Het ontwerp voorziet in een catch-all bepaling die stelt dat het pand op de handelszaak zich uitstrekt tot het geheel van goederen die het voorwerp van de handelszaak uitmaken, tenzij dit anders werd overeengekomen. Het pand op de handelszaak wordt ook niet langer voorbehouden voor erkende kredietinstellingen, maar kan gevestigd worden ten behoeve van elke schuldeiser. Het wetsontwerp snoeit in het formaliteiten die thans vereist zijn om een pand te kunnen vestigen. De huidige wet legt een authentieke of geregistreerde onderhandse akte op, waarin de hoofdschuld en het verpande goed worden omschreven (art. 2074 Bw). De schuldeiser moet daadwerkelijk in het bezit gesteld worden van het verpande goed vooraleer het uitwerking heeft ten aanzien van derden (art. 2076 Bw.). Voor het pand op de handelszaak is momenteel nog een overschrijving op het hypotheekkantoor vereist. Onder de toekomstige wet zal een gewone, schriftelijke overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar volstaan. De wet voorziet in de oprichting van een nationaal, online en actueel pandregister en elk pand zal aan derden tegenstelbaar zijn van zodra het in dit nationaal register werd geregistreerd. Het register zal in principe ook digitaal te consulteren zijn. De registratie wordt zo een alternatief voor de buitenbezitstelling, en een buitenbezitstelling is niet langer essentieel om het pand aan derden tegen te werpen. Dit creëert aanzienlijk meer mogelijkheden om activa als waarborg te gaan verpanden. De pandhouder kan aldus het verpande goed ‘volgen’ waar het zich ook bevindt en hoeft geen rekening te houden met eventuele latere overdrachten (behoudens enkele uitzonderingen). Het tijdstip waarop het pand in dit register wordt ingeschreven, zal de rang van het pand bepalen waardoor rangconflicten eenvoudig kunnen beslecht worden. Daarnaast wordt het mogelijk om bij ‘registerpand’ - d.i. een geregistreerd pand - de verpande goederen te verkopen, te verhuren of ze zich toe te eigenen ter voldoening van de gewaarborgde schuldvordering en dit zonder tussenkomst van de rechter, tenzij de pandgever een consument is. Het ontwerp bevat daartoe een specifieke procedure, en laat verder toe om de wijze van uitwinnen conventioneel te moduleren. Ingeval de debiteur onwillig zou zijn, kan de pandhouder zich tot de rechter kan wenden teneinde de afgifte van de verpande goederen te bekomen. De bezitsvereiste bij de inpandgeving van schuldvorderingen blijft nagenoeg ongewijzigd. Net als in de huidige wet komt de inpandgeving tot stand door het sluiten van de overeenkomst, doch kan deze pas aan de schuldenaar worden tegengeworpen nadat deze hem ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. Het ontwerp regelt ook de duur en beëindiging van de pandovereenkomst. De pandovereenkomst kan voor bepaalde of onbepaalde duur worden aangegaan, en de pandgever kan de overeenkomst beëindigen met een opzeggingstermijn van minstens drie maanden en hoogstens zes maanden. De registratie van het pandrecht vervalt behoudens hernieuwing na tien jaar. Tot slot worden in de hernieuwde wet nog een aantal, al dan niet noodzakelijke, verduidelijkingen opgenomen. Bij wijze van voorbeeld: Het pand kan toekomstige goederen tot voorwerp hebben; Het pand kan betrekking hebben op een roerend lichamelijk of onlichamelijk goed of een bepaald geheel van dergelijke goederen; De pandgever dient als goed pandgever voor de bezwaarde goederen zorg te dragen; De pandhouder is gerechtigd om op ieder ogenblik de bezwaarde goederen te inspecteren; De pandgever is gerechtigd tot een redelijk gebruik van de in pand gegeven goederen overeenkomstig hun bestemming. Indien de bezwaarde goederen onroerend worden, laat dit laat het recht van de pandhouder om bij voorrang uitbetaald te worden onverlet. De toekomstige wetswijziging hertekent het pandrecht. Het huidige formalisme wijkt voor flexibiliteit en conventionele vrijheid, wat de inzetbaarheid van zakelijke zekerheden ten goede komt. Het ontwerp integreert de vroegere veelheid aan bepalingen in één hoofdstuk van het burgerlijk wetboek en schoeit alle soorten pandrechten op dezelfde leest. De oprichting van een nationaal register maakt dat buitenbezitstelling niet langer nodig is voor de tegenstelbaarheid aan derden, en pandverzilvering wordt mogelijk zonder rechterlijke machtiging of voorafgaand beslag. Zo wordt het mogelijk om een specifiek roerend goed van de debiteur - bv. een wagen - in ‘onderpand’ te nemen zonder dat een fysieke afgifte van deze wagen noodzakelijk is. Ingeval de debiteur nalaat om te betalen wordt het mogelijk om de wagen bijvoorbeeld te laten verkopen in betaling van de schuld en dit zonder rechtelijke tussenkomst en ongeacht de eventuele, latere rechten van derden op deze wagen (behoudens uitzonderingen). Het pand op de handelszaak verliest tot slot haar specifieke statuut en gaat op in de algemene regelgeving en dito publiciteitsregels.

Voir plus!

Wetsontwerp tot wijziging wco-wet - cijferberoepen in het vizier!

30/04/2013 - Bram Stragier

De Wet op de Continuïteit van de Ondernemingen is een goede vier jaar van kracht. Het groeiende besef dat deze aan reparatie toe was, heeft zich vertaald in een wetsontwerp van 12 maart 2013, dat als doel heeft om enerzijds de efficiëntie van de gerechtelijke reorganisatie te verbeteren en anderzijds misbruiken in te dijken. Het wetsontwerp raakt niet aan de fundamenten van de WCO: de vrijwaring van economische activiteit en tewerkstelling en het beperken van het aantal faillissementen. Indien het wetsontwerp in deze vorm goedgekeurd wordt, zal dit desalniettemin enkele belangrijke wijzigingen met zich meebrengen, waarvan wij er enkele toelichten in deze bijdrage. Zo worden procedureregels strakker en komen voortaan ook landbouwers in aanmerking. Het wetsontwerp aligneert de wet met CAO nr. 102 die het lot van de werknemers regelt ingeval een onderneming wordt overgedragen in het kader van een gerechtelijke reorganisatie. Ook maakt het wetsontwerp werk van een intensievere preventie en opsporing van ondernemingen in moeilijkheden. Voorts wil het wetsontwerp concurrentievervalsing door misbruik van de wet bestrijden, o.m. via een verbeterde (elektronische) informatieverstrekking aan de schuldeisers en een verstrenging van de ontvankelijkheidsvoorwaarden. Dit verhoogt de drempel om tot de procedure toe te treden. Tot slot komt het ontwerp tegemoet aan de frustratie van de fiscus en RSZ, in die zin dat zij in een eventuele reorganisatieplan in principe gelijk moeten behandeld worden met de ‘best behandelde’, gewone schuldeiser. Op het vlak van preventie en verstrengde toegang tot de procedure is in het wetsontwerp een grote rol weggelegd voor de cijferberoepers. Het wetsontwerp verplicht immers de externe accountants, belastingconsulenten, boekhouders-fiscalisten en bedrijfsrevisoren die in de uitoefening van hun opdracht gewichtige en overeenstemmende feiten zouden vaststellen die de continuïteit van de onderneming in het gedrang kunnen brengen, om de bestuursorganen van deze laatste daarvan onverwijld en omstandig in te lichten. Indien de betrokken onderneming vervolgens nalaat om binnen een termijn van één maand vanaf die kennisgeving de nodige maatregelen te treffen om de continuïteit van de onderneming voor een minimumduur van twaalf maanden te waarborgen, kunnen voormelde cijferberoepers de voorzitter van de rechtbank van koophandel daarvan schriftelijk inlichten, zonder miskenning van hun beroepsgeheim. De memorie van toelichting bij het wetsontwerp verduidelijkt dat de taak van de cijferberoepers om de schuldenaar in te lichten niet vrijblijvend is en aldus hun eigen aansprakelijkheid in het gedrang kan brengen. Er wordt tevens expliciet gesteld dat zij gehouden zullen zijn om van de nakoming van die plicht bewijzen te verschaffen en deze te bewaren. Wat betreft de mogelijkheid van kennisgeving aan de voorzitter van de rechtbank, wordt erkend dat men hiertoe niet verplicht is. De memorie wijst er evenwel op dat de eigen beroepsregels van de cijferberoepers een verplichting in die zin zouden kunnen opleggen. Voorts kan de rechter die zetelt in een kamer voor handelsonderzoek inlichtingen inwinnen bij de cijferberoepers over de aanbevelingen die zij hebben gedaan en in voorkomend geval ook over de maatregelen die de schuldenaar daarna heeft genomen om de continuïteit te waarborgen. In dit verband is het beroepsgeheim opnieuw niet van toepassing. Het wetsontwerp voorziet verder dat de boekhoudkundige staat van actief en passief en de recente resultatenrekening, die bij het verzoekschrift tot opening van de procedure moeten gevoegd worden, voortaan moeten vergezeld worden door een verklaring van een externe accountant of bedrijfsrevisor met zijn oordeel of die staat een getrouw beeld geeft van de toestand en de resultaten van de schuldenaar. Een en ander vertoont parallellen met de procedure van vrijwillige vereffening. De memorie van toelichting benadrukt dat deze objectivering van bepaalde informatie door externe beroepsspecialisten erop gericht is om misbruiken te vermijden, en tegelijk vertrouwen te geven aan bonafide schuldenaren, wat finaal de schuldeisers moet ten goede komen. Tenslotte moet bij het verzoekschrift een begroting worden gevoegd van de geschatte inkomsten en uitgaven voor tenminste de duur van de gevraagde opschorting, opgesteld met de bijstand van een externe accountant of een bedrijfsrevisor, waarbij opnieuw de objectivering van de prognoses door experts wordt beoogd. De voornaamste betrachting van het wetsontwerp van 12 maart 2013 tot wijziging van de WCO-wet is de doeltreffendheid van de wet te bevorderen door enerzijds een doorgedreven preventie en anderzijds het elimineren van het oneigenlijk gebruik van de wet. Met oog op de verwezenlijking van beide aspecten van die doelstelling, wordt in het wetsontwerp een grote verantwoordelijkheid weggelegd voor de cijferberoepers. Deze verruimde bevoegdheden gaan vanzelfsprekend gepaard met een uitgebreidere aansprakelijkheid …

Voir plus!

Transfer pricing: fiscaal aanvaardbare prijszetting bij intracompany transacties ...

27/03/2013 - Stijn Lamote, e.a.

Transfer pricing is en blijft een hot topic, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau! De prijszetting bij transacties tussen verbonden ondernemingen vergt immers steeds een bijzondere oefening. Vaak is deze prijszetting ingegeven met oog op fiscale optimalisatie. Hierbij dient evenwel steeds rekening te worden gehouden met enkele belangrijke fiscale knipperlichten. Een specifieke TP-studie kan in dit verband zowel fiscale onderbouw als fiscale optimalisatie verlenen! begrip “verbonden ondernemingen” Voor het begrip verbonden ondernemingen kan in een Belgische context worden verwezen naar de gemeenrechtelijke definitie van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen. Onder “met een vennootschap verbonden vennootschappen” wordt er verstaan: de vennootschappen waarover zij een controlebevoegdheid uitoefent; de vennootschappen die een controlebevoegdheid over haar uitoefenen; de vennootschappen waarmee zij een consortium vormt; de andere vennootschappen die, bij weten van haar bestuursorgaan, onder de controle staan van de vennootschappen bedoeld in 1), 2) en 3). Deze definitie sluit veelal aan bij deze weerhouden op internationaal niveau in de diverse dubbelbelastingverdragen alsook in het OESO Modelverdrag. Tussen verbonden ondernemingen kunnen zich, net zoals tussen niet-verbonden ondernemingen, tal van transacties voordoen zoals: • de overdracht van materiële of immateriële vaste activa of een gebruiksrecht daarop (bvb. licentie op octrooi, …); • het verstrekken van diensten (bvb. management, distributie, …); • financiële transacties (bvb. leningen, waarborgen, …). fiscale optimalisatie Zoals hierboven reeds gesteld vergt de prijszetting bij transacties tussen verbonden ondernemingen een bijzondere oefening. Bij transacties tussen verbonden ondernemingen wordt, in tegenstelling tot bij transacties tussen niet-verbonden ondernemingen, de prijszetting immers niet rechtstreeks beïnvloed door vrije marktmechanismen. Dit laat ruimte voor fiscale optimalisatie. In een binnenlandse context maken winstverschuivingen tussen verbonden ondernemingen het inzonderheid mogelijk een en ander fiscaal te optimaliseren voor wat betreft de aanwending van tax assets binnen eenzelfde groep (bij gebreke aan fiscale consolidatie in het Belgisch fiscaal recht). In een internationale context maken winstverschuivingen tussen verbonden ondernemingen het mogelijk winst te maximaliseren in landen met lage(re) belastingtarieven of een bijzonder belastingregime. let wel, fiscale knipperlichten Deze ruimte voor fiscale optimalisatie is de beleidsmakers en regelgevers niet ontgaan. Zowel op internationaal als op nationaal vlak wordt enige rem gezet op fiscale optimalisatie door winstverschuivingen binnen eenzelfde groep van vennootschappen. (i) internationaal recht In het internationaal recht voorzien de meeste dubbelbelastingverdragen in een specifieke bepaling om fiscaal geïnspireerde winstverschuivingen te kunnen corrigeren. Deze bepalingen zijn in de meeste gevallen gebaseerd op artikel 9 van het OESO Modelverdrag. Artikel 9.1. van het OESO Modelverdrag bepaalt inzonderheid dat indien tussen verbonden ondernemingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen niet-verbonden ondernemingen, de winst die één van deze ondernemingen zou hebben behaald maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, mag worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig mag worden belast. In een internationale context kan dergelijke winstaanpassing in het ene land leiden tot een dubbele belasting indien het andere land geen correlatieve winstaanpassing doorvoert. Artikel 9.2. van het OESO Modelverdrag voorziet ter zake dat de contracterende staten verplicht zijn tot een correlatieve winstaanpassing overeenkomstig het “arm’s length principe” (zie hierna). De verplichting tot een correlatieve winstaanpassing is echter niet in alle dubbelbelastingverdragen opgenomen in welk geval beroep dient te worden gedaan op de procedure van onderling overleg voorzien in het desbetreffende dubbelbelastingverdrag en/of desgevallend (in een Europese context) op het Europees Arbitragevedrag. (ii) Belgisch recht In het Belgisch Wetboek van Inkomstenbelastingen werd artikel 9 van het OESO Model Verdrag ingeschreven in artikel 185, §2 voor wat betreft transacties tussen multinationale ondernemingen. Artikel 185, §2, a) voorziet inzonderheid, overeenkomstig artikel 9.1. van het OESO Model Verdrag, in de mogelijkheid de winst te corrigeren overeenkomstig het arm’s length principe. Artikel 185, §2, b) van het Wetboek van Inkomstenbelastingen voorziet overeenkomstig artikel 9.2. van het OESO Modelverdrag in de verplichting tot een “passende herziening” van de winst bij winstcorrectie; op die manier wordt beoogd dubbele belasting te vermijden. Het Belgisch Wetboek van Inkomstenbelastingen voorziet voorts in diverse fiscale bepalingen die paal en perk stellen aan een ongebreidelde fiscale optimalisatie door winstverschuivingen, en dit zowel voor transacties tussen multinationale verbonden ondernemingen als voor transacties tussen Belgische verbonden ondernemingen. Zo vormt het fiscaal regime inzake abnormale of goedgunstige voordelen alsook de aftrekbaarheid van beroepskosten ter zake een belangrijk aandachtspunt. In dit verband verwijzen we naar de artikelen 26 (abnormale of goedgunstige voordelen), 79 en 207 2e lid (aftrekverbod op abnormale of goedgunstige voordelen), 49 en 53, 10° (aftrekbaarheid beroepskosten), 54 (aftrekbaarheid intresten, vergoedingen voor diensten en prestaties en royalties) en 55 en 56 (aftrekbaarheid intresten) van het Wetboek van Inkomstenbelastingen. juiste prijs = marktconforme prijs (rekening houdend met de specificiteit van de verrichting) Uit bovenstaande blijkt de prijszetting bij verrichtingen tussen verbonden ondernemingen fiscaal gezien cruciaal. Het maakt of kraakt een eventuele fiscale optimalisatie door winstverschuivingen! Algemeen gesteld dient de prijs in concreto te beantwoorden aan een marktconforme prijs. Hiertoe wordt het “arm’s length principe” gehanteerd: de verrekenprijzen tussen verbonden ondernemingen dienen te worden bepaald alsof de ondernemingen niet verbonden zijn, zonder daarbij evenwel abstractie te maken van alle andere aspecten van de transactie. Belangrijk hierbij is dat bij de prijszetting rekening moet worden gehouden met de specifieke voorwaarden en modaliteiten van de transactie; het impact van deze specifieke voorwaarden en modaliteiten op de prijszetting moet echter overeenstemmen met hetgeen geldt tussen niet-verbonden ondernemingen. Daartoe is het van belang de door elke partij uitgeoefende functies in kaart te brengen alsook de door elke partij gedragen risico’s. De specifieke voorwaarden en modaliteiten van een verrichting kunnen echter de prijszetting en dus het fiscaal impact (en de eventuele beoogde fiscale optimalisatie) van de transactie belangrijk beïnvloeden! Bijvoorbeeld: hoe groter het risico een onderneming draagt in een welbepaalde transactie, hoe hoger de prijs die zij daarvoor kan aanrekenen. Vast staat dat de verrekenprijzen tussen verbonden ondernemingen steeds vaker worden gecontroleerd door de belastingadministratie en dat de belastingadministratie ter zake een steeds uitgebreidere expertise heeft. Zo verscheen in Fiscale Actualiteit onlangs het bericht van een sterke toename van transfer pricing-controles voor zowel multinationale ondernemingen als KMO’s (zie: NATANELOV, A. en VAN DEN BRANDEN, L., “Sterke toename van transfer pricing-controles”, Fisc. Act. 2013, nr. 4, 6-7). TP-studie Gezien het belangrijk fiscaal impact komt het (desgevallend) aangewezen voor de prijszetting tussen verbonden ondernemingen overeenkomstig het arm’s length principe te onderbouwen en vast te klikken in een TP-studie. Op die manier kan men anticiperen op een eventuele fiscale controle. Een TP-studie kan bovendien worden vastgeklikt in een voor de belastingadministratie bindende ruling. Deze rulings worden weliswaar naar gelang de aard van de transactie vaak beperkt in de tijd. In een TP-studie worden de verbonden ondernemingen alsook de transactie vooreerst op nauwkeurige wijze in kaart gebracht. Cruciaal hierbij is, zoals hoger aangegeven, de analyse inzake de uitgeoefende functies en gedragen risico’s door elk van de partijen. Ook alle andere factoren die een vergelijkbaarheid met niet-verbonden ondernemingen zouden kunnen beïnvloeden worden er in kaart gebracht. Met behulp van deze analyse worden een of meerdere toepasselijke TP-methodes bepaald. De TP-richtlijnen reiken hiertoe verschillende methodes aan: de Comparable Uncontrolled Price Method (intern of extern), de Resale Price Method, de Cost Plus Method, de Transactional Net Margin Method en de Profit Split Method. De keuze voor een bepaalde TP-methode is onder meer afhankelijk van de aard van de transactie (en inzonderheid het voorhanden zijn van vergelijkbare gegevens voor die welbepaalde transactie). Zo kan voor financiële transacties de CUP-methode worden aangewend waar dat voor het verstrekken van diensten of produceren van goederen minder of niet vanzelfsprekend is. Vervolgens dient de kwestieuze transactie (of haar onderdelen) rekening houdend met de gekozen TP-methode te worden vergeleken met vergelijkbare transacties in vergelijkbare omstandigheden tussen niet-verbonden ondernemingen. Het knelpunt hierbij is het vinden van vergelijkbare transacties in vergelijkbare omstandigheden. Op die manier kan men op onderbouwde wijze een marktconforme prijs voor een transactie tussen verbonden ondernemingen vastklikken. Belangrijk hierbij is dat de TP-studie voldoende wordt gedocumenteerd. In dit verband komt het ons aangewezen voor de documentatie te aligneren op de voorschriften van het EU Joint Transfer Pricing Forum, met name de EU Transfer Pricing Documentation (TPD). Deze voorschriften zijn er immers op gericht te voldoen aan de diverse nationale documentatieverplichtingen binnen Europa. Tevens wordt in dit verband best rekening gehouden met de administratieve circulaires van 28 juni 1999 en 14 november 2006. Uit bovenstaande blijkt dat een TP-studie op maat een bijzondere toegevoegde waarde kan bieden om binnen de toegelaten grenzen een en ander fiscaal te optimaliseren. In volgende bijdragen voor Taxforius werken we ter illustratie graag enkele concrete toepassingen uit.

Voir plus!